Deze eindverhandeling was niet tot stand gekomen zonder de hulp van een aantal mensen. In de eerste plaats ben ik dank verschuldigd aan professor De Geest, die me met zijn richtlijnen en geduldige correcties op de juiste weg gezet en gehouden heeft. Zonder het seminarie over Elias of het gevecht met de nachtegalen, onder zijn leiding, was Gilliams’ Gregoria ook nooit het onderwerp van deze eindverhandeling geweest. Daarnaast moeten ook ‘mijne ouders’ vermeld worden voor hun financiële en morele steun gedurende mijn studies en het schrijven van deze thesis; zonder hun harde werk was ik nooit zover gekomen. Mijn dank gaat tenslotte uit naar mijn kotgenoten, vriendinnen en vrienden voor hun geduld en interesse bij de talloze bevlogen gesprekken over Gregoria en Maurice Gilliams. Joris Geldhof en Koen Goessens verdienen een speciale vermelding voor de teksten en de gesprekken over psychoanalyse en de hysterische neurose.
WOORD VOORAF
Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Esoterische Memorabilia 1938 [1982] is de laatste, postuum gepubliceerde roman van Maurice Gilliams. Elias Lasalle, het dromende kind uit Elias of het gevecht met de nachtegalen, is nu volwassen geworden; hij staat op het punt te trouwen met Gregoria Balthazar, de dochter van kaarsenfabrikanten. De lezer volgt zijn ervaringen, dromen en teleurstellingen tijdens de verloving en de huwelijksreis. Samen met Elias keert hij voortdurend terug naar diens jeugd.
Bij besprekingen van Gilliams’ werk wordt telkens opnieuw gewezen op het autobiografische karakter daarvan. Men gebruikt dan graag de wending “Ik ben Elias”, zelfs als titel voor het verzamelde prozawerk van Gilliams. Men vergeet echter vaak dat Gilliams Elias is, en niet omgekeerd; men mag het personage niet hoger schatten dan de schrijver. In besprekingen van Gregoria wordt Gregoria Balthazar tevens al snel vergeleken met Gabriëlle Baelemans, Gilliams’ eerste vrouw; men gaat gezwind over tot het gelijkstellen van fictie en werkelijkheid. Het probleem is evenwel dat er nog niet echt veel geschreven is over Gregoria zelf. Het beeld van de fictie, dat men aan de werkelijkheid wil toetsen, is onvolledig; de roman is m.i. nog altijd grotendeels onbekend terrein. De toetsing van de roman aan Gilliams’ leven kan bijgevolg niet helemaal correct zijn, aangezien men niet diepgaand genoeg spreekt over de roman.
Deze kritiek kan misschien ongefundeerd lijken, maar ze heeft m.i. een grond van waarheid. Ze lag ook ten grondslag aan deze eindverhandeling; het was de bedoeling om een diepgaande studie van Gregoria te schrijven, dit wil zeggen, van de roman, zonder rekening te houden met biografische gegevens over Gilliams. De drie hoofdstukken van deze eindverhandeling mogen evenwel niet gezien worden als dé waarheid over de roman; ze zijn veeleer kapstokken, waaraan men interpretaties kan ophangen. In elk hoofdstuk wordt een motief behandeld, respectievelijk het huwelijk, de godsdienst en de verbeelding; deze drie motieven zijn volgens mij manieren om zinnig over de roman te spreken, en zo het onbekende terrein wat te verkennen.
Het moge duidelijk zijn dat deze manier van werken niet de gemakkelijkste was. In plaats van reeds verschenen werken over Gilliams te lezen – en daarin een mogelijke oplossing voor een patstelling te vinden – werd steeds opnieuw ervoor geopteerd om bij de tekst te blijven. Men zou dit kunnen beschrijven als onderzoek met oogkleppen op; het kan evenwel ook een microscopisch onderzoek zijn, waarbij nieuwe dingen aan het licht komen. Deze werkwijze heeft geresulteerd in een beperkte bibliografie; een enkele keer wordt naar de Vita Brevis verwezen, of naar Lamartine en Vosmaer; psychoanalytische theorieën bleken erg nuttig om de personages in een context te plaatsen. De rest is voornamelijk gebaseerd op de tekst zelf, en op het eigen inzicht. Dat merkt men ook aan de manier van werken; eerst wordt een fragment uit Gregoria overgenomen, om het dan te bespreken en in verband te brengen met andere fragmenten. De interpretatie van de roman is dus expliciet subjectief.
Men zal, naarmate men vordert in deze eindverhandeling, merken dat de drie hoofdstukken steeds opnieuw met elkaar verbonden zijn. Het betreft in de roman geen duidelijk afgebakende motieven, maar een kluwen van onderling hecht verbonden tekstelementen; de ene keer kunnen deze geplaatst worden in de context van de verbeelding, een andere keer in die van de godsdienst. Daarbij heb ik mij noodgedwongen – en spijtig genoeg – moeten beperken tot enkele tekstelementen en motieven, om zo de tekst van deze eindverhandeling leesbaar en gefundeerd te houden. In het nawoord zullen wel enkele suggesties voor verder onderzoek vermeld worden.
Hopelijk is daarmee duidelijk dat deze eindverhandeling allerminst een absolute status ambieert, integendeel. Men moet vooral een relativerende houding aannemen als het gaat over de editie van Gregoria. Het betreft immers een leeseditie, geen historisch–kritische uitgave, waardoor men slechts kan spreken van een tekst zoals die door de editeur gelezen is. Men vindt wel een summiere verantwoording, maar geen variantenapparaat, ofschoon de editeur zelf aangeeft dat er verschillende versies bestaan. We hebben dus te maken met een editie waarvan moeilijk gezegd kan worden wat ze waard is. Dit heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de interpretatie van de tekst. Bij Gilliams is een subtiel betekenisverschil niet onbelangrijk; hij heeft niet voor niets decennialang aan Gregoria geschreven. Het is mogelijk dat, door de afwezigheid van een variantenapparaat en van een degelijke verantwoording van correcties, de interpretatie wat minder genuanceerd is dan bij een historisch–kritische editie het geval zou zijn. Die laatste vormt alleszins een mooi doel voor de toekomst, bijvoorbeeld in de vorm van een hypereditie.
Mijn lectuur van Gregoria is gebaseerd op de tweede druk, van 19911 GILLIAMS, MAURICE, Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Esoterische memorabilia 1938 [1982]. Meulenhoff en Kritak, Amsterdam en Leuven, 1991.. Om die reden worden bij de fragmenten eerst de bladzijden van deze druk weergegeven, na de slash gevolgd door de bladzijden van de druk van 20002 GILLIAMS MAURICE, Ik ben Elias. Romans en verhalen. Meulenhoff, Amsterdam, 2000, p. 149-506.. De drukken blijken enkele keren van elkaar te verschillen; het gaat dan vooral om details, die desondanks vermeld worden.
DROOMFUGA
Het is een binnenplaats met gras.
Daar heb ik in de kou staan lezen,
jaren dat mijn boek niet uitgelezen was.
Ik heb zoveel gezwegen.
Ik ben een kind gebleven,
weerspiegeld in een waterglas.
Maurice Gilliams, 1939.
- Home
- Thesis
Maurice Gilliams