2. De toekomstdromen
Het is voor de lezer wellicht snel duidelijk dat er een discrepantie bestaat tussen enerzijds de Gregoria die Elias wenst te zien, en anderzijds de reële Gregoria. Hoewel Elias dit zelf ook merkt, blijft hij toch verloofd met Gregoria; dit wordt vooral bepaald door zijn wensdromen.
Elias beseft zelf dat het niet goed gaat tussen hem en Gregoria. Dit blijkt onder andere uit zijn beslissing om de verloving stop te zetten, en uit enkele passages die we nu zullen behandelen. Het eerste fragment bevindt zich in het begin van Gregoria. Elias bespreekt de problemen in de verloving:
“In onze latere onderonsjes, in onze op de sofa gefluisterde dialogen het dárover te hebben: gunstig samen getrouwd, zou Gregoria er genoopt kunnen door worden om dichter bij mij aan te leunen. Nooit, tot hiertoe, is het tussen ons tweeën tot een vlotte, dartele vrijage gekomen. Voorlopig, allebei brachten wij het misschien nog niet verder dan een gratuite illusie. In Antwerpen, de gehele week door, gevoelde ik me door ongerustheid, door tal van onzekerheden afgemat. Hagelbuien van twijfel raasden me door het hoofd wanneer ik me begon af te vragen, wát we voor elkander, in ons huwelijk, zouden te beduiden hebben, beiden zo verschillend van elkaar? Evenwel, in Silversande gearriveerd, iedere zondagmiddag was ik tevreden me samen met een wezentje te bevinden waarvan ik me, thuis, een verkeerde voorstelling had gemaakt. […]
Af en toe kon ik de fatale dreiging van het onbeantwoord vraagteken niet meer aan, nl. of we, ieder met onze gevoels– en andere idealen, het zouden aankunnen om levenslang saam te blijven met dezelfde drang des harten waarmee we vandaag de dag ernaar verlangden samen te zijn?” (p. 15–16/p. 157–158)
Als Elias in het begin van de roman terugkijkt op de verloving, maakt hij duidelijk dat ze reeds in het begin niet verloopt zoals ze zou moeten verlopen, aangezien ze niet vlot, dartel of spontaan is. Misschien is ze voor de verloofden niet meer dan een gratuite illusie. Elias vraagt zich in het begin van de verloving zelfs af hoe hun huwelijk eruit zal zien als ze tijdens de verloving niet spontaan met elkaar overweg kunnen. Al deze twijfels verdwijnen echter als hij in Silversande aankomt en Gregoria ziet.
We zien hier eigenlijk twee bewegingen. Enerzijds beseft Elias dat de realiteit niet overeenkomt met de dromen, al verdwijnen de twijfels daarrond eens hij bij Gregoria is. We kunnen dus niet stellen dat Elias niet beseft dat er problemen zijn. Anderzijds reageert hij op de realiteit door weg te dromen, of door het samenzijn en het geluk in de toekomst te projecteren; in latere gesprekken zullen Elias en Gregoria dichter bij elkaar aanleunen. “Tot hiertoe” is dat weliswaar nog niet gebeurd, maar deze gedachte lijkt te impliceren dat Elias verwacht dat het in de toekomst wel zal gebeuren. In dit fragment plaatst hij echter ook vraagtekens bij de toekomst. Hij vraagt zich af hoe ze een goed huwelijk kunnen hebben, als ze beiden zo verschillend zijn. Deze twijfels verdwijnen echter door het zien van Gregoria. In de tweede alinea gaat Elias dieper in op deze gedachte. Hij vraagt zich opnieuw af of een levenslang samenzijn wel voor hen is weggelegd als het (door Elias veronderstelde) wederzijdse verlangen verdwenen is. We moeten echter wel beseffen dat het hier om een retrospectief vertelstandpunt gaat, en dat Elias eigenlijk al weet hoe de verloving verder zal verlopen; hij bevindt zich immers op de dag voor het huwelijk. Dat neemt niet weg dat volgens Elias de problemen reeds in het begin aanwezig zijn.
In het volgende fragment gaat Elias op de dag voor het huwelijk Gregoria bezoeken. Hij gaat even met haar naar buiten, en tekent er zijn toekomstdroom in de grond:
“De mulle zandgrond begin ik tot een effen tekenbord aan te stampen. Een takje, vlak bij van de grond opgeraapt, geef ik met mijn zakmes een naaldfijne punt. Of we door indiscrete blikken bespied kunnen worden? Gregoria is eropuit achterdochtig rond te kijken. Een knecht is het paard van zijn weiveld komen halen. Niet rap genoeg met mijn puntig, primitief tekengerief kan ik de rechthoekige omtreklijn van een landelijke woning op het geïmproviseerde tekenbord schrijven. Die woning krijgt vensters met luiken en een deur. De dakbedekking is van stro, wat door de aanbreng van lange, fijne streepjes wordt gesuggereerd. Het peperkoeken sprookjeshuis is in een boomgaard gelegen, door natuurlijke, ingeplante lovertjes aangeduid. Moet ik Gregoria er nog van overtuigen, dat ik in tekendrift bedreven ben? […] Aan ‘ons’ gedroomde huis wordt een torenachtige, imposante schoorsteen toegevoegd. Met een ingebakerde baby aan zijn bek daalt een ooievaar neer op zijn huwelijksnest. […]
Eensklaps – en ik ben van haar wraakneming geschrokken – veegt ze met haar voet een paar driftige keren doorheen hetgeen ik getekend heb. […] [M]inder diplomatisch aangelegd dan haar mama, bijt Gregoria kort van zich af: ‘of ik haar in een opgepoetst boerderijtje had gewenst op te sluiten, moederziel alleen, aan een afgelegen laantje van het dorp, of aan de rand van bos en hei?’ Met een nijdige ruk keert ze zich om. Stokkerig stappend gaat ze van mij weg. Confuus, aan de rustbank vastgespijkerd, blijf ik zitten.
Vaarwel, de voor Gregoria en voor mij gedroomde landse woning midden in een ‘boomgaard der vogelen en vruchten’; vaarwel, het eigen nest waarin het goed zou zijn geweest om lang te leven. Van mijn tekening is luttel een hoopje zandgrond overgeschoten. Er komen geen vrienden meer om met mij tot een eind in de nacht te musiceren op een kamer met wijd open vensters. Een tijdelijk gedwarsboomde illusie is nóg rendabel als men ze ongeschonden blijft bewaren. Een keverachtig insekt, met toegevouwen vleugels onder zijn dekschilden, komt boven op het zandhoopje geklaverd. Zich als het ware aan het bedenken, beweegt het zijn spinachtige pootjes al geruime tijd niet meer. Ik wacht erop, wanneer het in volle vrijheid weg wil vliegen? Met een kittelende strohalm probeer ik zijn vlucht te bespoedigen, maar tot vluchten bereid–zijn, dát kan enkel door het kevertje zelf worden uitgemaakt. Stevig nog zit het aan zijn voorlopige pleisterplaats klauwend vastgehecht; zijn tijdelijk houvast wil het nog niet verliezen.
Later (na een overleefde nachtmerrie) zal ik over mijn belangstelling voor het hemelbeestje een sprookjesachtig verhaal doen aan mijn kinderen. De herkomst, de achtergrond ervan hoeven ze niet reëel te begrijpen. Jeugdige barbaren, zullen ze de jongens krijgertje spelen, op blikken trompetten toeteren, op trommels roffelen. Jonkheid geeft lawaai in huis. ’s Avonds, wanneer ze moe gespeeld in bed liggen, ga ik er met Gregoria naar kijken hoe gelukkig ze slapen. Zonder die voorgespiegelde huwelijksweelde ware het onverantwoord geweest aan trouwen te denken. Hetgeen we willen krijgen en bezitten, het zal volstrekt aan Gregoria én aan mij toebehoren.” (p. 101–103/p. 240–242)
Deze passage is hier nagenoeg volledig weergegeven omdat ze zo belangrijk is om de toekomstdroom van Elias te begrijpen.
Een eerste aspect betreft het feit dat de toekomstdroom door Elias getekend wordt. Hij vertelt hem niet aan Gregoria, maar neemt zijn toevlucht tot een artistiek medium om zijn droom over te brengen. Deze kunstzinnigheid is ook terug te vinden in de toekomstdroom zelf, met name in het langdurig musiceren met vrienden.
Laten we nu even naar de toekomstdroom zelf kijken. Het valt op hoe de natuur in deze passage opnieuw op de voorgrond komt. Elias en Gregoria zitten buiten, de toekomstdroom wordt met een takje in de zandgrond getekend; ze verwijzen allebei naar de natuur. Ook in de toekomstdroom zelf is de natuur alomtegenwoordig; het betreft een landelijke woning, de dakbedekking is van stro, en het huis is in een boomgaard gelegen. Elias droomt tevens van kinderen, wat weergegeven wordt door de ooievaar die een baby draagt. We zouden hier misschien opnieuw de link kunnen leggen met het landelijke leven, met Conscience, met Elias’ jeugd, en met ‘Die Wahrheit’. Dit verband is niet expliciet in de tekst aanwezig, maar al deze motieven hebben één ding gemeenschappelijk: de natuur.
De kinderwens komt ook expliciet tot uiting in dit fragment. Elias droomt niet van kinderen, maar beschouwt ze blijkbaar als een vaststaand feit in de toekomst. Hij zegt namelijk niet dat er kinderen kunnen zijn, en dat ze zouden kunnen ravotten, maar integendeel dat er kinderen zullen zijn, dat ze krijgertje zullen spelen, op trompetjes zullen blazen en op trommels zullen roffelen. Hij zou niet met Gregoria naar de kinderen kijken, hij gaat met haar naar de kinderen kijken. Het is net alsof alsof deze toekomst voor Elias vaststaat en niets dat nog kan veranderen. Hij zal ook het sprookje van de kever vertellen “na een overleefde nachtmerrie”. Deze uitdrukking kan op twee manieren begrepen worden. Enerzijds kan de nachtmerrie verwijzen naar de problemen die Elias met Gregoria ervaren heeft. Na het overleven van deze moeilijke periode zal de ideale toekomst vaststaan, en zullen de kinderen er zijn. Anderzijds kan de nachtmerrie ook door de kinderen gedroomd zijn, en zal Elias hun een sprookje vertellen om hen de kwade droom te laten vergeten.
Men kan ook verwijzingen naar vogels vinden. De ooievaar is al vermeld; deze vogel wordt traditioneel geassocieerd met baby’s. De landelijke woning ligt tevens in een “boomgaard der vruchten en der vogels”, en het huis wordt omschreven als een eigen nest, al is dit laatste een vaste uitdrukking. Misschien is er een verband tussen de dromen en de vogels; dit verband is wellicht niet toevallig als men even teruggrijpt naar Elias of het gevecht met de nachtegalen. Daar stonden de nachtegalen symbool voor de dromen en de hallucinaties van de jeugdige Elias. Hoe dit motief in Gregoria precies bekeken moet worden, is niet duidelijk, maar het is in elk geval niet zonder belang.
De bovengenoemde vermelding van vrienden die in Elias’ droomhuis zullen komen musiceren, is ook erg interessant. Buiten Wom. is er in de roman geen enkele verwijzing naar muzikale vrienden. Dit hangt wellicht samen met de eenzaamheid van Elias en het gebrek aan vrienden; mogelijk verwacht hij dat de eenzaamheid en het gebrek in de toekomst verdwenen zullen zijn.
In het voorgaande hebben we geen aandacht besteed aan de reactie van Gregoria op de wensdroom van Elias. Ze vernielt namelijk zijn tekening en slaat, met niet mis te verstane bewoordingen, zijn droom aan diggelen. Het is net het aspect van de natuur waartegen ze reageert; ze wil niet op een boerderijtje wonen, of in een natuurlandschap, of alleen in een afgelegen laantje. Ze reageert hiermee niet alleen tegen de natuur, maar ook tegen de eenzaamheid, die belangrijk lijkt te zijn voor Elias.
De reactie van Elias op de uitlatingen van Gregoria is pas echt interessant. Hij is verward, en hij lijkt afscheid te nemen van de toekomstdroom en al de implicaties ervan. Elias beseft dus dat Gregoria het absoluut niet eens is met zijn toekomstvisie, en hij lijkt er zich bij neer te leggen. Maar hij keert onmiddellijk op zijn stappen terug: “Een tijdelijk gedwarsboomde illusie is nóg rendabel als men ze ongeschonden blijft bewaren.”. We raken hier mogelijk de kern van de zaak. Elias weet dat zijn toekomstdroom niet die van Gregoria is, maar hij beschouwt dit slechts als een tijdelijke hindernis. Als men de illusie ongeschonden blijft bewaren, kan ze nog nuttig zijn, ongeacht de problemen die men ervaart. Mogelijk blijft hij daarom vasthouden aan de droom van de natuur, ‘Die Wahrheit’ en het toekomstige geluk, terwijl hij nochtans beseft dat deze droom niet met de realiteit overeenkomt. Hij verwacht wellicht dat alles in orde zal komen als hij maar blijft dromen. De problemen in het heden zullen misschien verdwijnen in de toekomst.
Het keverachtige insect lijkt een symbool te zijn voor Elias’ volharding. Na de reactie van Gregoria is een zandhoopje het enige overblijfsel van Elias’ tekening. Een kever kruipt bovenop dit zandhoopje, en hoewel Elias hem met een stokje tot vliegen tracht aan te porren, blijft het insekt zitten. Misschien moet men het insekt interpreteren als Elias, die zich blijft vastklampen aan de illusies en de dromen, en niet van deze dromen afgebracht kan worden. Het kevertje wil zijn tijdelijke houvast nog niet verliezen, net zoals Elias de droom van het huwelijk en het geluk niet wil verliezen. Alleen het kevertje kan uitmaken wanneer het zijn zandhoopje verlaat, zoals alleen Elias kan beslissen wanneer hij zijn illusies verlaat.
Deze passage maakt duidelijk dat Elias beseft dat er een verschil is tussen zijn dromen en de realiteit, maar dat hij desondanks blijft volharden in zijn toekomstdromen, misschien omdat die zijn enige houvast zijn.
De toekomstdromen zijn echter ook terug te vinden in termen van muziek en in verband met ‘Die Wahrheit’. Op p. 24/p. 165–166 zegt Elias waarom hij Gregoria verhalen uit zijn jeugd vertelt, met name om haar dichter bij zich te brengen. Hij beschrijft de verhalen als trillingen uit een voor Gregoria onbekende wereld, en later, in hun huwelijk, zouden deze trillingen muzikale harmonieën worden, die de wederzijdse verstandhouding zouden vergemakkelijken. Het geluk en de harmonie worden hier ook in de toekomst geplaatst, net zoals het leven in de natuur en de kinderen in het vorige fragment. Het is opvallend dat de jeugd van Elias hier opnieuw vermeld wordt als belangrijke invloed op de relatie met Gregoria. Het zijn de jeugdverhalen die hen dichter bij elkaar moeten brengen, en die uiteindelijk voor de harmonie moeten zorgen. We vinden ongeveer dezelfde gedachte op p. 100–101/p. 240, als Elias het verschil tussen Gregoria en zichzelf beschrijft. Zij hoort het verschil niet tussen consonante en dissonante woorden en akkoorden. Het ritme van hun samenzijn mag verschillen, zolang dit maar wordt volgehouden, en zo kan er een soort wisselwerking tussen beiden bestaan. Ze staan echter nog maar aan het begin van deze wisselwerking, wat impliceert dat deze er ooit, in de toekomst, zal komen. Muziek wordt hier dus weer gecombineerd met de plaatsing van het geluk en de eenheid in de toekomst.
Elias projecteert ook de droomafbeelding van ‘Die Wahrheit’ in de toekomst. Na verschillende huwelijksnachten zonder geslachtsgemeenschap, zegt hij op p. 342/p. 475 dat ‘Die Wahrheit’ tijdelijk voortvluchtig is, dat ze zich “in een onderwereld der zinnelijke modderigheid” is gaan verbergen, en dat ze eruit verlost kan worden. Elias zegt dat hij de “candide Gregoria” slechts voorlopig is kwijtgeraakt. We vinden hier opnieuw de vervulling van de droom in de toekomst, en de overtuiging dat de problemen maar tijdelijk zijn. De seksuele problemen (“onderwereld der zinnelijke modderigheid”) zullen opgelost worden, en de onschuldige Gregoria zal teruggevonden worden.
Deze situering van het geluk in de toekomst kan misschien beschouwd worden als een soort escapisme. De lezer beseft waarschijnlijk al snel dat het huwelijk tussen Elias en Gregoria niet zal slagen, maar dat wil niet zeggen dat Elias dit beseft. De roman is m.i. ten dele gebaseerd op deze spanning tussen droom en realiteit. Elias erkent de problemen, maar vlucht in de verbeelding; de lezer erkent ook de problemen, en ziet dat ze wellicht onoplosbaar zijn.
De vlucht in de verbeelding wordt ook letterlijk door Elias verwoord, aangezien men volgens hem in de droom kan vinden wat in de realiteit onvindbaar is. Dit kan men afleiden uit enkele citaten uit de roman.
Op p. 80/p. 221 is Elias aan het nadenken over de verloving, aangezien hij Gregoria slechts kan ontmoeten onder supervisie, en ze zich niet laat veroveren. Dan zegt hij: “Er zijn dingen die gedróómd mogelijk zijn. Ik had Gregoria lief. Doch er is een soort van wanhoop die de bindingen tussen waarheid en droom vernielt.” (p. 80–81/p. 221). Elias verkondigt hier de stelling dat bepaalde zaken mogelijk zijn in de verbeelding; hij relativeert dit echter onmiddellijk door te zeggen dat de wanhoop een verband tussen de realiteit en de dromen verhindert. We kunnen deze relativering misschien interpreteren als de discrepantie tussen droom en realiteit. Het belangrijkste in dit fragment is waarschijnlijk de nadruk op het woord ‘gedroomd’, waardoor deze stelling eigenlijk een verwoording is van het bovengenoemde escapisme. Elias beklaagt zich dan over het feit dat de dingen die hij droomt (‘Die Wahrheit’, de natuur, het geluk) niet terug te vinden zijn in de realiteit.
Even verder droomt Elias van verdwalende natuurwandelingen met Gregoria (p. 81–82/p. 221–222). Hij zegt daarna: “Er zijn dingen waarvan men dróómt omdat ze op geen andere wijze te bereiken, te beleven zijn.” (p. 82/p. 222). Elias verwijst hier naar zijn dromen van wandelingen, en naar het feit dat ze door mevrouw Balthazar verboden zijn. Men zou hier escapisme kunnen vinden in het feit dat Elias de door mevrouw Balthazar verboden wandelingen dan maar in zijn verbeelding zoekt.
Ook de uitlatingen van tante Henriette, een paar uur voor het huwelijk, lijken op escapisme te wijzen, en ze lijkt dat zelfs aan te moedigen. Het is net alsof ze kritiek heeft op Elias’ huwelijk met Gregoria: “niet hetgeen vanzelfsprekend te verkrijgen is, niet wat men gans voor zich kan bezitten heeft waarde. In het onvervulbare verlangen naar het krijgen–en–bezitten is het oprecht waardevolle, het continueel aantrekkelijke gelegen.” (p. 146/p. 284). Waarschijnlijk verwijst ze hier naar Elias’ droomvoorstellingen en de contrasterende realiteit. Ze zegt hier dat niet hetgeen men kan bezitten (Gregoria?) waarde heeft, maar wel het onvervulbare verlangen (‘Die Wahrheit’?). Het is niet duidelijk of tante Henriette iets afweet van Elias’ gedachten rond ‘Die Wahrheit’, maar als we die in de achtergrond van dit citaat plaatsen, lijkt het wel alsof ze Elias aanmoedigt om te blijven geloven in de droomwereld van ‘Die Wahrheit’. Misschien wil ze Elias afbrengen van de gedachte dat Gregoria op ‘Die Wahrheit’ lijkt of zal lijken, of dat hij met haar het geluk zal vinden. Dit is wellicht niet zo toevallig. Tante Henriette is hysterisch, en gekwetst door een fout gelopen relatie: “zachtjes suist het door mijn hoofd, dat de van gevoel overrijpe tante Henriette wel gaarne zélf gehuwd had willen zijn. Gedupeerd zoals ze geweest is in haar jonge jaren, werd er uit haar onverdiende tegenslag zogenaamd een triest familiegeheim gedistilleerd. Een mededingende, afgewezen en wraaknemende neef van haar had in tantes eenmalige, onschuldige vrijage een duivelse rol gespeeld.” (p. 127/p. 266). Wellicht wil ze Elias waarschuwen voor het feit dat de realiteit niet zo mooi is als de droom, dat het huwelijk met Gregoria niet zo gelukkig zal zijn als Elias zich voorstelt. Ze heeft zelf immers een stukgelopen liefdesaffaire achter de rug.
Op een ochtend tijdens de huwelijksreis, als mevrouw Balthazar en Vincentia reeds aangekomen zijn, zegt Elias het volgende: “Slapend is men onbereikbaar; dromend bezit men het onbereikbare.” (p. 290/p. 425). Elias zegt hier dus dat men in de slaap niet bereikt kan worden; mogelijk doelt hij hier op het feit dat men tijdens de slaap gescheiden is van de rest van de wereld. We moeten ons nu afvragen wat Elias bedoelt met “dromend”. Verwijst hij hier naar toekomstdromen, naar dromen tijdens de slaap, of naar allebei? Als we het eerste aannemen, vinden we een variatie op het vorige citaat. Wat men in de realiteit niet kan bereiken, kan men wel in de dromen vinden. De droomwereld speelt blijkbaar een grote rol in de perceptie van de het onbereikbare. Men kan het woord “dromend” echter ook begrijpen als de dromen tijdens de slaap, en dan zou het kunnen dat Elias verwijst naar wat die dromen over hemzelf zeggen. Eventueel kunnen we hier denken aan de manifestatie van het onbewuste in de dromen. Dan zou het onbereikbare het onbewuste van Elias zijn, met zijn verborgen verlangens en verwachtingen; men zou dit verborgen bewustzijn enkel kunnen “bezitten” als men droomt. Welke van beide mogelijkheden hier correct is, valt nauwelijks uit te maken.
De toekomstdromen van Elias lijken dus een soort escapisme, een poging om aan de problemen en de botsingen in de realiteit te ontkomen. Het geluk wordt hierdoor in de toekomst geplaatst, net als de eenheid van Elias en Gregoria. Alles wat in het heden afwezig is, wordt blijkbaar in de toekomst geprojecteerd. In de dromen vindt Elias waarschijnlijk wat in het echte leven onbereikbaar is.
- Home
- Thesis
Maurice Gilliams