Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

3. De brandende schim in het poppenhuis

We hebben nu twee voorbeelden van verbeelding behandeld, met name de idealisering van ‘Die Wahrheit’, en de toekomstdromen in verband met het huwelijk. Nu zullen we wat dieper ingaan op de verbeelding rond de brandende schim in het poppenhuis, Isabelle–Françoise, die ook een grote invloed lijkt uit te oefenen op Elias.

Elias ziet de schim voor het eerst als hij bij zijn grootmoeder op bezoek gaat. Het lukt hem om aan de aandacht van de tantes en zijn (groot)moeder te ontsnappen, en naar de salon te sluipen (p. 43/p. 184). Daar gaat hij recht naar het poppenhuis, en hij begint het te bekijken (p. 44–45/p. 185–186):

“En, juist nu, op het moment een naderende vuurgloed op de bovenste etage te gaan waarnemen: achter mijn rug werd de salondeur opengedaan, was mijn vlucht uit de leefkamer gewaargeworden. Een automaat, willoos gemanoevreerd, in mijn doen en laten zonder een mogelijke kans om wat anders te doen, ben ik van het voetenbankje afgestapt, heb ik bevreesd achteromgekeken. Tegen het gaslicht uit de leefkamer in, haar figuur met sprankelend vuur omrand, is tante Theodora mij uit de salon komen weghalen. Met evenveel deernis voor haar als voor Isabelle–Françoise vervuld, spontaan ben ik op tante Theodora toegesneld, heb ik mijn huilend gezicht in de plooien van haar kleed verborgen.” (p. 45/p. 186).

Dit ‘zien’ van Isabelle–Françoise is beïnvloed door verschillende personen en voorstellingen van Elias. Een eerste invloed blijkt een combinatie van de woorden van Elias’ vader en de geldzucht van tante Theodora te zijn. Tante Theodora is immers voortdurend op zoek naar geld in oude familiedocumenten. Elias hoort dan steeds de naam van Isabelle–Françoise, en hij begint haar uiteindelijk van zonden te verdenken (p. 41/p. 182). Dit wordt nog versterkt door de mening van vader Lasalle dat geld het kwaad van de wereld, en dus zondig is. In de verbeelding van Elias vormt zich het beeld van Isabelle–Françoise, die in de hel gestraft wordt voor haar zonden (p. 41/p. 182). We zien hier opnieuw de vermenging van de ideeën van het vrouwelijke deel van de familie en van vader Lasalle, al is ze hier van een andere aard dan de vermenging van tegenstrijdige religieuze opvattingen.

De godsdienstige opvattingen van Elias in die periode beïnvloeden ook de droomvoorstelling. We moeten deze passage immers situeren in Elias’ jeugd, en we kunnen ook veronderstellen dat het de periode van diep geloof betreft. Elias zegt namelijk dat hij, tijdens de gebeden voor de overleden familieleden in de Predikherenkerk, vaak wenst dat Isabelle–Françoise aan hem zou verschijnen, dat ze zich als het ware onder de levenden zou begeven: “Naast mijn mama op de grafsteen van ons voorgeslacht neergeknield om te bidden: het ware voldoende geweest, misschien, tussendoor mijn gebed haar naam bezwerend uit te spreken opdat Isabelle–Françoise aan mijn verzoek om te verschijnen zou voldoen?” (p. 41/p. 182). De zogenaamde verschijning in het poppenhuis moet dus ook gezien worden in de context van het dwepende geloof van Elias. Net zoals hij als kind hoopt naar de hemel te kunnen gaan, verwacht hij dat Isabelle–Françoise zal verrijzen. Dit fragment bevindt zich na een dergelijk bezoek aan de Predikherenkerk, aangezien Elias zelf zegt dat hij met zijn moeder na een bezoek aan de kerk bij zijn grootmoeder gaat om er op zijn vader te wachten, en ’s avonds naar het landhuis te vertrekken (p. 41–42/p. 182–183). Het dweepzieke bidden kan dus invloed hebben op de verschijning van de schim.

De spookverhalen van Hermine blijken echter ook invloed te hebben op de verschijning. Ze vertelt Elias immers dat ze Isabelle–Françoise heeft zien ronddwalen in het poppenhuis, gestraft door Lucifer om naar haar aardse bezittingen terug te keren19 Het poppenhuis is een erfenis die ooit het bezit geweest is van Isabelle-Françoise; zie p. 44/p. 185.. Het spookverhaal veroorzaakt echter gewetensproblemen bij Elias. Enerzijds gelooft hij in het bestaan van de hel, waar de mens gestraft wordt voor zijn zonden. Deze visie is duidelijk beïnvloed door de vrouwelijke kant van de familie. Elias heeft Isabelle–Françoise ook barmhartig lief om haar schuld en boetedoening (p. 44/p. 185). Anderzijds is er de stelling van vader Lasalle, dat een wraakzuchtig Opperwezen niet kan bestaan en dat het barbaars is erin te geloven (p. 44–45/p. 185–186). Dit zorgt vanzelfsprekend voor grote theologische problemen, die Elias als kind niet kan oplossen. Enerzijds wordt Isabelle–Françoise eeuwenlang gestraft voor haar zonden, aangezien Hermine haar heeft zien verschijnen. Anderzijds is er de stelling van vader Lasalle dat zo een straf onaanvaardbaar is. Het staat in elk geval vast dat het spookverhaal van Hermine Elias beïnvloed heeft: “doch het was zíj20 Zonder nadruk in: GILLIAMS, MAURICE, Ik ben Elias. Romans en verhalen. Meulenhoff, Amsterdam, 2000. geweest, met haar spookverhaal over de rondwarende schim van Isabelle–Françoise in het poppenhuis, die me naar de verschijning van onze betreurenswaardige bloedverwante deed verlangen.” (p. 45/p. 186). Men kan dus een verband veronderstellen tussen het Hermines verhaal en de verschijning.

Laten we nu even naar het fragment zelf kijken. Men kan zich om te beginnen afvragen of de verschijning er wel is. Het huis van Elias’ grootmoeder is immers verlicht met gaslampen, die erg verschillen van de olielampen in het landhuis. Elias kan het licht van de gaslampen niet verdragen, in die mate dat hij er zelfs hoofdpijn van krijgt. Dat is wellicht een van de redenen waarom hij naar de onverlichte salon vlucht. De vraag is nu of de “naderende vuurgloed” geen licht van de gaslampen kan zijn, dat doorheen de glazen panelen van de salondeuren in het poppenhuis schijnt. De vuurgloed zou dus gewoon licht kunnen zijn, al wordt dit nergens in de tekst expliciet aangegeven.

In de tekst vindt blijkbaar ook een vreemd identiteitsspel plaats. Elias wenst dat Isabelle–Françoise zal verschijnen, maar uiteindelijk ziet hij niet meer dan de vuurgloed waarvan hierboven sprake was. Net als deze vuurgloed verschijnt, wordt de deur door tante Theodora opengedaan, maar om dat te kunnen doen, moet ze natuurlijk eerst de deur naderen. We krijgen hier dus wellicht het naderen van zowel tante Theodora als Isabelle–Françoise. Het is echter deze laatste die verdwijnt als de deur opengedaan wordt, en het is tante Theodora die als een brandende schim verschijnt: “Tegen het gaslicht uit de leefkamer in, haar figuur met sprankelend vuur omrand, is tante Theodora mij uit de salon komen weghalen.”. Elias verwacht dus de schim van Isabelle–Françoise, hij ziet het begin van haar verschijning, wordt gestoord, en uiteindelijk blijkt het tante Theodora te zijn die in brand lijkt te staan. We kunnen hier misschien spreken van een verwisseling van identiteiten. Dat is overigens niet zo vreemd. Isabelle–Françoise werd in Elias’ verbeelding gestraft voor haar geldzucht, een zonde waaraan ook tante Theodora zich schuldig maakt. Elias blijkt medelijden te hebben met beide vrouwen, maar rent zonder verklaring (“spontaan”) naar tante Theodora. Ook het medelijden met beide personen lijkt een identiteitsverwisseling te suggereren. Het is net alsof ze een en dezelfde persoon zijn.

Men moet tenslotte ook nog letten op het feit dat er in feite geen verschijning van Isabelle–Françoise is. Men kan hier slechts spreken over een naderende vuurgloed. Dit is niet onbelangrijk, want in de tweede passage over de verschijning zegt Elias dat hij de schim wel degelijk gezien heeft, terwijl ze in dit fragment slechts begint te verschijnen.

Het tweede fragment moet gesitueerd worden tijdens de huwelijksreis. Elias denkt terug aan een opstel dat hij op de kostschool geschreven heeft over de verschijning van zijn bloedverwante. In die context vertelt hij het verhaal nog eens, maar er blijken verschillen te zijn.

“Het poppenhuis, in mijn verbeelding, was de repliek van haar eigen vroegere woning, op schaal verkleind. Ze kwam erin rondwaren, omringd van het haar toebehorend meubilair. Aldus, door mijn geniepig nichtje Hermine, werd het me wijsgemaakt om mijn nieuwgierigheid te prikkelen. Op geregelde tijden, vanuit de hel, werd onze bloedverwante door het Opperwezen hierheen gestuurd om haar eeuwig lijden te vermeerderen. […]
Ik kon er mij over verwonderen, er me blind op staren: het vuur aan haar persoon, aan haar kleren, – het deelde zich niet mee aan de venstergordijnen of aan de draperieën; niet aan het feestelijk tafelkleed of aan de sitspapieren muurbekleding; niet aan de geborduurde zitting van de stoelen of aan het vloertapijt. De vergulde harp, de spiegels en de gele kaarsjes op de kaarsenkronen bleven ongedeerd. En ook zij zelf brandde niet op, verteerde niet tot de verstrooibare as van de overledenen. Ze stond in lichterlaaie zonder te vergaan. Het vuur van de hel was nimmer te blussen, niet door haar mijn medegevoel in het lijden te betuigen, niet door een vloed van tranen. Gans overstuur, vlak bij het poppenhuis, werd ik door de kribbige tante Theodora verrast, op een plaats waar ik zonder haar toestemming geenszins mocht vertoeven. Niet meer wetend wat te beginnen, radeloos, wild heb ik me tegen haar aan geworpen, mijn huilend gezicht tegen haar beenderig gestel aangedrukt, ofschoon er van deze tante geen vertedering, geen troost te verwachten was. Ook de ontvlambare japon van tante Theodora schoot in brand, en eveneens met hár heb ik deernis gekregen.” (p. 256–257/p. 391–392).

Het eerste opvallende verschil is de feitelijke verschijning van de schim, terwijl in het vorige fragment slechts een naderende vuurgloed te zien was. Isabelle–Françoise is zo duidelijk te zien, dat Elias haar kan beschrijven. Het tweede verschil is de status van het poppenhuis. In het vorige fragment was het slechts een voormalig bezit van Isabelle–Françoise, terwijl het nu een verkleinde versie van haar vroegere woning is, al is dit slechts in de verbeelding van Elias zo. Ook de problemen rond de gestrafte schim en het barbaarse karakter van een wraaknemend Opperwezen zijn hier verdwenen. Dit is m.i. te wijten aan het feit dat de beschrijving van de straf door een Opperwezen in het vorig fragment gezien moet worden als de woorden van Hermine, door Elias in de vrije indirecte rede weergegeven. Het laatste verschil betreft tante Theodora. In het eerste fragment wordt beschreven hoe ze eerst in brand lijkt te staan, en hoe Elias vervolgens naar haar loopt. In dit fragment loopt hij eerst naar tante Theodora, en pas daarna vat ze vuur.

Het meest opvallende verschil blijft echter het feitelijke waarnemen van de schim. In het vorige fragment kon men de verschijning nog in twijfel trekken, maar nu is het overduidelijk dat Elias Isabelle–Françoise ziet. Het zou al te makkelijk zijn om dit verschil als een fout van de auteur te beschouwen. Misschien kunnen we hier spreken van een verbeelding die levendiger geworden is. De verschijning wordt hier verteld door de oudere Elias. Hij ziet de schim door de ogen van de kostschooljongen die een opstel over de verschijning schrijft: “Thans, in het pensionaat mijn devoir aan het schrijven, herbeleefde ik even sterk en gewis de verschijning van een in vlammen gehulde schim.” (p. 256/p. 391). Het vorige fragment is gesitueerd in 1908, dus als Elias 8 jaar oud is (p. 42/p. 183). Hij is wellicht pas op zijn twaalfde naar de kostschool vertrokken; we moeten hier dus waarschijnlijk spreken van een verschil van minstens vier jaar tussen de fragmenten. Is het niet mogelijk dat Elias zich door de lange tijd tussen de twee fragmenten de verschijning anders is gaan voorstellen? Misschien wordt de “naderende vuurgloed” (p. 45/p. 186) door de jaren heen aangedikt tot een echte verschijning van de schim. We moeten hier wellicht niet spreken van een discrepantie tussen beide fragmenten, maar wel van een verschillende focalisatie. De volwassen Elias beschrijft hoe hij de verschijning enerzijds als achtjarige en anderzijds als kostschooljongen ervaren heeft. De verschillen tussen beide fragmenten zijn dan een logisch gevolg van het temporele interval.

We zien uiteindelijk hetzelfde motief als in het vorige fragment. Isabelle–Françoise moet, gestraft voor haar zonden, terugkeren naar haar aardse bezittingen, met name het poppenhuis, dat echter ook een representatie van haar woning blijkt te zijn. Het gaat hier wellicht om een geestelijke verschijning; het vuur brandt, maar verteert niet, en het blijft beperkt tot Isabelle–Françoise. Dit is logisch, aangezien het de ziel is die naar de hel, de hemel of het vagevuur gaat. Deze geestelijke vorm van Isabelle–Françoise kan natuurlijk geen invloed hebben op de aardse voorwerpen in het poppenhuis. Van identiteitsverwisseling kan in dit fragment waarschijnlijk geen sprake zijn. Tante Theodora neemt de plaats van Isabelle–Françoise niet in, maar ze vat desalniettemin vuur. We moeten hier wellicht teruggrijpen naar de verklaring uit het vorige fragment, met name dat ze allebei dezelfde zonden begaan (hebben). In dit fragment wordt echter de nadruk gelegd op de geestelijke status van de verschijning, en daardoor valt plots iets vreemds op. Men moet Isabelle–Françoise op een geestelijk niveau zien (en het haar omringende vuur dus ook), maar hoe komt het dan dat dit ‘geestelijke’ vuur kan overslaan op tante Theodora, die nog leeft en dus een lichaam heeft? We moeten hier wellicht spreken van een symbolisch verband tussen de twee vrouwen –de ene dood en geest, de andere levend en lichaam– en het vuur verteert geen van beiden.

Het is echter opvallend dat de volwassen Elias deze droomverschijning ook als echt gebeurd lijkt te beschouwen. In de alinea na dit fragment, legt hij uit waarom hij Gregoria nooit over de schim verteld heeft. Een van die redenen is: “mijn ontmoeting met de schim die, zonder op te branden, brándde, zou Gregoria als een hallucinatie van mij hebben opgevat.” (p. 257/p. 393). Men zou uit dit citaat kunnen afleiden dat de schim voor Gregoria een hallucinatie zou zijn, maar dat ze dat voor Elias helemaal niet is. Hij denkt dus niet dat hij Isabelle–Françoise gezien heeft, hij heeft haar gezien. Ook in het fragment vindt men nergens een verwijzing naar de schim als verbeelding, het is net alsof het voor Elias allemaal echt gebeurd is. Het is echter nog opvallender dat dit nog steeds het geval is voor de volwassen Elias. Het is net alsof hij geen afstand genomen heeft van de verbeelding in zijn jeugd, hoewel hij wel afstand genomen heeft van de orthodox–christelijke waarden. Zijn verbeelding lijkt achter zijn overtuigingen aan te hinken.

Deze twee fragmenten zijn voor verschillende redenen belangrijk. Ze maken namelijk duidelijk dat men bij de verbeelding van Elias soms rekening moet houden met verschillende focalisatiemomenten, waardoor de verbeelde zaken een andere vorm kunnen aannemen. Ze maken ook duidelijk dat men bij de verbeelding van Elias soms van invloeden kan spreken, zoals bijvoorbeeld de woorden van familieleden, en religieuze opvattingen. Deze fragmenten zijn tevens een nieuw voorbeeld van de verbeelding van de dweepzieke Elias, in de periode dat hij nog erg door het orthodoxe christendom beïnvloed was.

In Gregoria kan men tenslotte nog twee verwijzingen naar het poppenhuis vinden. De eerste verwijzing bevindt zich op p. 190/p. 327–328. Elias en Gregoria zijn na de treinreis in het Ardense pension aangekomen. Een hulpje leidt hen naar hun kamer:

“We worden een logeerkamer uit grootmoeders poppenhuis binnengeleid. Met sitspapier zijn de kamerwanden behangen. Hagelblanke gordijnen dalen, vanuit een baldakijn aan het plafond, langs weerkanten van het hoog ledikant neer.” (p. 190–191/p. 328).

Dit fragment kan m.i. op twee manieren geïnterpreteerd worden. Enerzijds kan de hotelkamer erg op de logeerkamer in het poppenhuis lijken, en verwijst Elias bij het binnentreden van de logeerkamer naar de gelijkenis tussen beide kamers. Mogelijk wil hij hiermee wijzen op de ouderdom van het pension, maar er zijn wellicht nog andere gelijkenissen. Zo zijn de muren van het poppenhuis ook met sitspapier bekleed (p. 26/p. 168), en zijn er ook ledikanten te vinden (p. 28/p. 169), maar meer parallellen zijn er niet te bespeuren. Het is anderzijds mogelijk dat Elias op symbolische wijze een kamer van het poppenhuis binnentreedt, en dat zou dan impliceren dat hij hetzelfde doet als Isabelle–Françoise. Hij zou dan eigenlijk het huis van zijn kwelling kunnen binnentreden, en de plaats van de gekwelde Isabelle–Françoise kunnen innemen. Deze mogelijkheid is misschien zo vreemd nog niet. Het pension is tenslotte de plaats waar de frigiditeit van Gregoria en de huwelijksproblemen in hun volle licht duidelijk worden, en waar Elias in conflict komt met mevrouw Balthazar. Beide mogelijkheden lijken elkaar in elk geval niet uit te sluiten.

De tweede mogelijkheid wordt misschien nog bijgetreden door een ander fragment, waarin Elias een gedachtenassociatie heeft over het pension:

“Wanneer ik de gezette heren, de gezette dames tegenover elkaar aan tafel zie zitten, komt er een zonderlinge vraag in me opgerezen: of alle kamers van het pension op dezelfde wijze als onze kamer zijn ingericht, met meubels uit een vorige tijd, die, geboend en met een wollen lap opwreven, langzamerhand als het ware in de loop der dagen een nieuwe huid hebben gekregen? Hangt er boven ieder bed een baldakijn? In het donker van de nacht, doen alle bedden aan praaltomben denken? Liggen er slapende mensen bovenop, zoals albasten grafbeelden? Maar dát is een schimmige gedachtenassociatie, ingegeven door mijn bezoek aan talrijke oude kathedralen, en hier vandaag komen ze niet van pas.” (p. 213–214/p. 350)

Het poppenhuis wordt duidelijk geassocieerd met de dood, aangezien de ziel van Isabelle–Françoise er komt ronddolen, en het is wellicht een relict van verdwenen tijden. Ook het pension wordt in dit fragment met verdwenen tijden geassocieerd. De meubels dateren immers uit een “vorige tijd”, en de bedden doen ook aan praalgraven denken, met de slapende mensen als grafbeelden. Het pension wordt hier dus expliciet verbonden met de dood. Dit wordt dan nog gekoppeld aan de talrijke bezoeken aan kathedralen. Net zoals de verschijning van de schim in het poppenhuis beïnvloed is door een bezoek aan de Predikherenkerk, wordt in het hotel Elias’ verbeelding met betrekking tot de dood opnieuw beïnvloed door het bezoek aan kerken. We kunnen bij de overeenkomsten tussen het poppenhuis echter niet spreken van een perfecte overeenkomst. We moeten het misschien veeleer hebben over enkele parallellen, zonder dat die voor een functionele betekenisovereenkomst zorgen. Deze stelling wordt misschien tegengesproken door het volgende citaat. Na een herinnering aan oom Augustin keert Elias terug naar het heden in de eetzaal van het pension: “Tegelijkertijd, door de hete lucht in een lampeglas word ik aangezogen, word ik door een gedroomde vlam verteerd.” (p. 199/p. 336). Dit citaat is erg interessant. We hebben reeds gewezen op de mogelijkheid dat het pension een alternatieve voorstelling is van het poppenhuis, wat impliceert dat het voor Elias een plaats van bestraffing is. Dit wordt bevestigd door dit laatste fragment, waarin Elias zegt dat hij door een gedroomde vlam verteerd wordt. De plaatsverwisselingen van Elias met de gestrafte Isabelle–Françoise, en van het pension met het poppenhuis, zijn blijkbaar niet zo vreemd.