Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

4. Het belang van Elias’ jeugd

We hebben al verscheidene keren gewezen op het belang van de jeugdperiode voor Elias (cf. Silversande en de natuur). Dit wordt bevestigd door het volgende citaat. De herinnering aan oom Augustin en zijn nagespeelde veldslag, geeft Elias namelijk een reden waarom hij verhalen over zijn jeugd vertelt:

“Door middel van opgehaalde herinneringen poog ik mijn psychische ingesteldheid te commentariëren, te verdedigen, voor mijn dierbaren te verduidelijken, acceptabel te maken. Alles wat ik in zoveel voorbije jaren aan ervaring, aan imaginatie heb opgespaard: aan hen meegedeeld, kan het ertoe bijdragen mijn dierbaren dichter naar me toe te halen. Doch valt erop te rekenen Gregoria oren zal hebben voor de psychische tribulaties en malligheden waar ik, door mijn samenleven met haar, verlost wil van zijn?” (p. 198–199/p. 335–336).

Het vertellen over zijn verbeelding en zijn jeugd is voor Elias dus een manier om zich tegenover zijn (aanstaande) schoonfamilie te profileren. De verhalen zijn zelfs een manier om de banden met hen aan te halen. De vraag is evenwel in hoeverre dat lukt. Twee belangrijke elementen uit Elias’ jeugd, het poppenhuis en het landhuis, worden immers geminimaliseerd en afgewezen. Voor Gregoria en mevrouw Balthazar is het poppenhuis een onbekend stuk speelgoed: “Zo, onder meer, hadden moeder en dochter nooit over het bestaan van poppenhuizen iets afgeweten, werd de realiteit ervan, uitvoerig, in detail door mij toegelicht, voor louter als een verzinsel uitgelegd. Onverbeterlijk dwaas, bij vergissing had ik getracht Gregoria, vanuit háár speciale levenssfeer naar binnen te lokken in míjn speciale levenssfeer, hetgeen, nuchter te voorzien, niet anders dan verkeerd, als een misverstand kon uitvallen.” (p. 46/p. 187). Het poppenhuis is dus iets totaal onbekends in de leefwereld van de familie Balthazar, maar het is nog opvallender dat het beschouwd wordt als een manier om de banden met Gregoria aan te halen. De afwijzing van het stuk speelgoed kan dus een afwijzing zijn van Elias zelf.

Ook het landhuis waar hij als kind vertoefde, is belangrijk, aangezien de jeugdverhalen van Elias meestal daar gesitueerd zijn. Het landhuis wordt echter door mevrouw Balthazar als iets vreemds beschouwd: “In haar [mevrouw Balthazar] jaloerse, populaire optiek moet ons ‘kasteel’ iets als een pittoreske rariteitenboetiek zijn geweest, met een naarstig, geldverdienend papaatje; met een vrijgevig mamaatje; met schimmige wat preutse logés.” (p. 70/p. 211). Het landhuis wordt hier weliswaar niet afgewezen, maar het wordt ook niet aanvaard zoals het werkelijk is. De jeugdverhalen van Elias worden trouwens ook afgewezen: “Het wordt me plagend, met een uitdagend lichtje in haar [Gregoria] ogen gevraagd, of ik haar wederom liegende fabeltjes ga vertellen, over de vroegere buiten van mijn ouders; over de pittoreske voorvallen uit mijn vlegeljaren; over de haar onbekende zonderlinge ofschoon (naar ik voorgeef) intuïtieve, intelligente tantetjes van mij?” (p. 271/p. 406). De verhalen van Elias worden dus niet alleen als fabeltjes, maar ook als leugens beschouwd. Ze vertonen voor Gregoria wellicht geen enkele overeenkomst met de werkelijkheid, en daarom worden ze waarschijnlijk afgewezen.

De gevolgen van deze afwijzingen zijn m.i. niet gering. We hebben al gewezen op het feit dat de verhalen en de jeugd van Elias voor hem een manier zijn om zich te profileren en om zijn psychische toestand te beschrijven. Misschien gaat de invloed van Elias’ jeugd nog verder. De verhalen zijn mogelijk geen overblijfsels uit een vorig leven, maar noodzakelijke componenten van Elias’ huidige bestaan. Veel belangrijke symbolen en gedachten stammen uit Elias’ jeugd; denken we maar aan ‘Die Wahrheit’, de natuur, zijn religieuze overtuigingen het poppenhuis. Ze hebben nog steeds invloed op zijn leven en denken, wat zou kunnen betekenen dat hij nog niet met (de idealen uit) zijn jeugd gebroken heeft. Dit heeft als gevolg dat hij nog steeds in de tijdsgeest van de negentiende eeuw leeft, en dat we hier te maken hebben met een negentiende–eeuwse romantische ziel in een moderne wereld. Dit wordt in Gregoria dan ook expliciet vermeld: “In mijn splendid isolation was ik een voortbrengsel van de negentiende–eeuwse idealen der stedelijke, nederige bourgeoisie.” (p. 225/p. 361). De afwijzing van de herinneringen, symbolen en gedachten uit zijn jeugd houdt dan wellicht in dat Elias zelf afgewezen wordt.

De bovenvermelde breuk met het verleden komt echter wel voor in de roman, met name in de slotpassage. In het volgende fragment reist Elias met Gregoria, Vincentia en mevrouw Balthazar van de kust naar Silversande, waar het gebrand heeft in het huis van de Balthazars:

“Aan het denken, aan het mijmeren: gedurig aan word ik vanuit de sfeer van het nare heden naar de sfeer van mijn veilig verleden, vanuit het verleden naar mijn heden verwezen, steeds over en weer. Zonder nog een durabel houvast te vinden, kom ik van kwellende realiteiten in troostende fantasmagorieën terecht, van fantasmagorieën in realiteiten. Op Elseneur zag Hamlet de schim van de vermoorde koning, zijn vader, smartelijk naar hem wenken, teken naar hem doen om onbeschroomd nader te treden, zijn aanklacht te aanhoren. Was die ontmoeting van Hamlet met de schim van zijn vader – inherent aan zijn rouw over de dood van een geliefd wezen – toch maar een door het verdriet ingegeven, gedroomd gebeuren? Terwijl ik me (mede met mama Balthazar, mede met Vincentia en Gregoria) naar Silversande laat rijden om er de door de bliksem aangerichte brandschade als toeschouwer te constateren; zonder een vooraf gemaakte afspraak, vergezeld van mijn vroegere trouwe wandelkameraad, mijn papa, midden in de nacht bevind ik mij op het landgoed uit mijn kinder– en jongelingsjaren, staan we samen naar het wit kasteeltje te staren. Door wie werden al de vensters opengezet? Op iedere kamer brandt licht. Beide de vleugels van de dubbele inkomdeur staan open. Het schijnsel van een petroleumlamp wordt door de met witte glansverf beschilderde vestibulemuren opgevangen. Reeds is mijn papa achtergebleven wanneer ik de arduinstenen bordestrap betreden heb, naar binnen ga. De trap opgeklommen, de etage bereikt, vind ik er iedere kamer met een open deur. De meubels staan waar ze eertijds gestaan hebben. Van eertijds onze logés – van grootmoeder, van de tantes Theodora en Henriette; van tante Zénobie en van oom Augustin, van hun kinderen Aloysius en Hermine; van mijn ouders en van mij; van Martina, onze dienstmeid die over mij gemoederd heeft –, van vroeger is hun schaduw, is mijn schaduw ín de kamerwanden aanwezig gebleven zoals een watermerk in geschept papier. Noch met vurige smeekbeden, noch met hete tranen is onze schaduw te verwurmen eruit te verdwijnen. In het kabinetje waarin mijne moeder haar boeken, haar snuisterijen en souveniers bewaarde; op het lessenaartje, nog steeds staat de kaars te branden die werd aangestoken toen ik, een kleuter, zwaar ziek geworden in levensnood verkeerde: een superstitieus bidoffer dat, wonderlijk, nooit uitgedoofd, nooit geheel zal opbranden. Op tante Henriettes kamer vind ik het schaartje liggen waar ze mijn vingernagels mee knipte. Op zolder liggen de resten nog van mijn speelaltaartje, dat door papa werd afgebroken omdat het me religieuze hallucinaties verschafte. De keuken binnengekomen, zie ik de vloerstenen met het opgedroogd bloed van een haan besmeurd, die door mijn oom Augustin werd geslacht. Op de tafel ligt het mes. Zoals de schim van een schuldige bloedverwante in het poppenhuis rondwaarde, uit het hellevuur voor pijnlijker boete terug op aarde naar haar verleden teruggestuurd: van onder tot boven ben ik het kasteel rondgegaan. Op ieder moment, in de leefkamer, kan mijne moeder binnentreden om me luidop een versregel van Lamartine voor te lezen.: ‘L âme à son désespoir trouve de tristes charmes’. Bij een van de open vensters gekomen, naar buiten geleund: mijne moeder in levenden lijve, ik zie haar door de maanbeschenen hemel henen van mij zweven, alsmaar in de verte kleiner aan het worden. Mijn geroep naar haar vindt geen gehoor.–

Inmiddels tegelijkertijd, met de autowagen naar Silversande aan het rijden, mede met mama Balthazar, met Vincentia en Gregoria: onvoorziens dooreengeschud door een bruuske, schielijke zwenking van het voertuig om een obstakel te ontwijken; uit mijn dromerij ontwaakt, wederom met een helder hoofd tot de efficiënte realiteit weergekeerd: opeens ben ik mij ervan bewust, – het kasteel uit mijn kinder– en jongelingsjaren bestaat niet meer. Thans is het landgoed aan alle kanten bebouwd met kleine, nederige woningen waarin de vijanden van mijn verleden geboren worden en sterven.” (p. 372–374/p. 504–506).

De gemoedsgesteldheid van Elias is niet onbelangrijk als context van dit fragment. We hebben hier te maken met het einde van de huwelijksreis, en met een laatste, vergeefse toenaderingspoging van Elias tot Gregoria. In het hotel Sunset probeert Elias immers opnieuw geslachtsgemeenschap te hebben met Gregoria, wat eindigt in een bijna gotische scène in het midden van een storm, waarna Elias zijn gezicht huilend in de lakens verbergt (p. 352–355/p. 485–487). De toestand van Elias na dit voorval kan misschien nog het beste omschreven worden als ‘totale ontreddering’. Het einde van de huwelijksreis moet wellicht beschouwd worden als het afsluiten van een hoofdstuk in het leven van Elias; verdere toenaderingspogingen met zijn vrouw zijn niet meer mogelijk. Op weg naar Silversande denkt Elias na over de problemen tijdens de verloving en het huwelijk. Vooral de koele afwijzingen en de frigiditeit van Gregoria komen aan bod, net zoals de vermoede leugens over biechtvaders en beloften om maagd te blijven (p. 371/p. 504). Het is in deze context dat men de hallucinatie of droom in dit fragment moet bekijken.

Een eerste opvallend aspect betreft de band tussen het heden en het verleden. We hebben eerder gewezen op het feit dat de origine van belangrijke droombeelden in Elias’ jeugd lijkt te liggen, en dat de dromen in het heden nog steeds invloed op hem uitoefenen. Deze band tussen het heden en het verleden wordt hier geëxpliciteerd, en tegelijk worden er waarden aan deze twee tijdskaders toegekend: het verleden is veilig, terwijl het heden naar is. Het heden bevat “kwellende realiteiten”, terwijl Elias in het verleden “troostende fantasmagorieën” vindt. Het gebruik van het woord “fantasmagorieën” is interessant, aangezien het verwijst naar spookachtige droomvoorstellingen. Mogelijk vinden we hier een verwijzing naar Hamlet en de spookverschijning van zijn vader, maar misschien moeten we ook aan de schim van Isabelle–Françoise denken. De term kan tenslotte wijzen op het feit dat het verleden dood is, en dat elke voorstelling ervan de facto een spookvoorstelling is. We vinden hier in elk geval een bevestiging van de veronderstelde dichotomie tussen het heden en het verleden, tussen de realiteit van bijvoorbeeld het huwelijk en de uit de jeugd stammende droomvoorstellingen van bijvoorbeeld ‘Die Wahrheit’. Dit fragment wijst wellicht ook op het escapisme van Elias. Om aan de harde realiteit te ontsnappen, verdroomt hij zich aan troostende gebeurtenissen en gedachten uit zijn jeugd.

Vervolgens vinden we een verwijzing naar Hamlet, met name naar de spookverschijning van de gestorven koning. Elias beschrijft hoe Hamlet zijn vader ziet verschijnen, hoe de spookverschijning hem wenkt om zijn klacht te aanhoren. Vervolgens vraagt Elias zich af of de verschijning van de koning een droom is. Hij verwijst wellicht naar de daaropvolgende fantasmagorie, waarin hij samen met zijn vader het oude kasteel bezoekt. We kunnen hier misschien van een parallel spreken. De koning laat Hamlet zien dat het koninkrijk niet is wat het lijkt, dat er een moord op hem gepleegd is, en dat zijn rechtvaardig koninkrijk niet meer bestaat, aangezien het bezoedeld is door broedermoord en incest. Het bezoek van Elias aan het landhuis, met ook hier de vaderfiguur, zorgt voor dezelfde conclusie; Elias komt tot het besluit dat het kasteel uit zijn kinder– en jongelingenjaren niet meer bestaat.

Misschien is er nog een verwijzing naar Shakespeare’s toneelstuk, met name in het doden van een haan door oom Augustin. Deze gebeurtenis wordt elders in de roman expliciet beschreven: “Opzettelijk mijn ogen toegeknepen, nóg zie ik schimmige lichtbeelden zich bewegen, van het heden naar het verleden, van het verleden naar het heden, over en weer. […] Er is oom Augustin, op onze buiten uit logeren, die een krijsende haan bij zijn vlerken vat. Met een breed keukenmes wordt het beest gehalsrecht. Het is een kranige, rode haan met gele poten. Zonder kop, met klepperende vleugels loopt hij rond, om tegen een tafelpoot neer te vallen, dood te bloeden. […] Reëel heb ik oom Augustin nooit een haan zien slachten.” (p. 245–246/p. 381). Men kan er m.i. moeilijk aan twijfelen dat de twee fragmenten naar elkaar verwijzen. In beide passages vindt men het landhuis, de haan, het slachten door oom Augustin, het mes en het bloed. We zien vreemd genoeg ook de verwijzing naar het heen– en weergaan tussen het heden en het verleden. De parallellen zijn duidelijk aanwezig, maar de betekenis van het slachten van de haan is heel wat moeilijker vast te stellen. We zouden kunnen verwijzen naar Hamlet, waar de haan symbool staat voor het verstrijken van het spookuur: “I have heard/ The cock, that is the trumpet to the morn,/ Doth with his lofty and shrill–sounding throat/ Awake the god of day, and at his warning,/ Whether in sea or fire, in earth or air,/ Th’extravagant and erring spirit hies/ to his confine;” (Hamlet, I, 1, 154–159). Als we nu aannemen dat de spookwereld van Elias parallellen vertoont met de nachtelijke spookwereld in Hamlet, dan heeft het slachten van de haan wel degelijk een betekenis. Als men de haan slacht, kan deze immers niet meer kraaien en blijft de spookwereld bestaan. Het zou hier enerzijds kunnen gaan om Elias, die net zoals Isabelle–Françoise, als een gestrafte ziel ronddoolt in een huis. Dit zou dan betekenen dat Elias in de droom– of spookwereld blijft ronddolen, en dat hij zijn straf niet kan ontlopen. Het is anderzijds mogelijk dat de spookwereld in Hamlet hier voorgesteld wordt als de droomwereld van Elias, en dat het kraaien van de haan dan het einde van deze droomwereld zou inluiden. In dat geval kan Elias geen afstand nemen van de dromen, die gebaseerd zijn op het verleden. Het zou tenslotte ook kunnen dat de haan geen enkel verband heeft met Hamlet, en dus ook niet met Elias’ droomwereld. Een duiding geven bij het slachten van de haan blijkt moeilijk te zijn.

Een derde aspect is de openheid van het landhuis in de droom. Elias staart samen met zijn vader naar het landhuis, waarvan alle vensters open staan, en waarin alle kamers verlicht zijn. Elias gaat het kasteeltje binnen door de open inkomdeur, en hij vindt de deur van elke kamer open. Er wordt hier, met andere woorden, driemaal verwezen naar het open–zijn. Misschien kunnen we dit opvatten als een symbool voor de openheid van het landhuis. Elias kan zich zonder problemen in het landhuis begeven; voor hem is niets gesloten en is alles open. Deze openheid wordt mogelijk ook gesuggereerd door de referenties aan licht en de witte kleur. Het kasteeltje is immers wit, net zoals de vestibulemuren. Alle kamers zijn verlicht; er wordt verwezen naar het licht van een petroleumlamp en de maan, en op een lessenaartje staat een kaars te branden. Deze overvloed aan licht verwijst misschien naar het feit dat alles verlicht, en dus zichtbaar, is voor Elias. Tijdens het gedroomde bezoek van Elias aan het landhuis lijkt niets nog verborgen te blijven.

Het landhuis vormt ook een verbinding tussen Elias en het verleden dat door zijn familieleden gerepresenteerd wordt. Hij denkt er namelijk terug aan de logés, hij noemt hen zelfs, en in het landhuis zijn voorwerpen te vinden die herinneringen aan bepaalde personen oproepen. De aanwezigheid van de logés is namelijk nog te zien in de muren van het landhuis, aangezien hun schaduw vervat is in de muren. Misschien wijst dit op de onverbrekelijke band van het landhuis met zijn bewoners: wie er ooit gewoond heeft, kan er niet helemaal uit verwijderd worden. In zijn tocht door het huis ziet Elias eveneens verschillende voorwerpen die hem aan familieleden en gebeurtenissen doen denken. Op het lessenaartje staat een kaars te branden, die door zijn moeder aangestoken is tijdens een ziekte in zijn jeugd. Het betreft hier waarschijnlijk de ziekte na de nacht waarin de jeugdige Elias als missionaris buiten kampeert (p. 291–292/p. 426, zie Hoofdstuk II). Deze kaars verwijst blijkbaar niet alleen naar Elias’ moeder, maar ook naar haar bijgeloof. 

Een schaartje roept een herinnering op aan tante Henriette die zijn nagels knipt, waarmee verwezen wordt naar de handen. Misschien moeten we deze verwijzing zien in het licht van het spel met de handen dat Elias soms met haar speelt, en dat waarschijnlijk te maken heeft met de verbeelding van de jonge Elias: “Haar linkerhand liet ze op mijn schouder rusten, terwijl ze haar rechterhand in de richting van het meubel uitgestoken hield. En zoveel als ik ervan begreep, – het schaduwbeeld van mijn eveneens uitgestoken kinderhand moest zich met de schaduw van haar grotere vrouwenhand verenigen. Het was de signatuur van onze goede verstandhouding met elkaar. […] En vanzelf, als door hár vingers bezenuwd, bewogen mijn vingers met de hare mee, alsof we door middel van dat mystisch gebarenspel, in een andere dan de gewone wereld, naar een–en–hetzelfde object wilden grijpen, doch het week alsmaar verder van ons weg.” (p. 38–39/p. 180). De handen blijken een grote rol te spelen in de vriendschap van tante Henriette met de jonge Elias, net als de schaduwen. Dit spel met de schaduwen geeft uitzicht op een andere wereld, maar het begeerde object is ongrijpbaar. Misschien moet deze wereld geïnterpreteerd worden als de wereld van de verbeelding, waarin de gedroomde objecten niet (lichamelijk) bereikbaar zijn. Het knippen van de nagels zou een verwijzing kunnen zijn naar dit spel. Deze visie op het onbereikbare object is echter ook interessant vanuit een relationele invalshoek. Tante Henriette en Elias begeren namelijk beiden een object dat onbereikbaar blijkt te zijn. Misschien is het spel met de handen wel een verwijzing naar de droomvoorstelling van ‘Die Wahrheit’.

Het speelaltaartje is ook in de fantasmagorie aanwezig, hoewel dit op basis van een ander fragment vreemd lijkt. Het altaartje wordt immers door vader Lasalle afgebroken, en de resten ervan verdwijnen (p. 123–124/p. 262). We hebben hier blijkbaar te maken met een contradictie, al wordt dit onmiddellijk tegengesproken door het feit dat Elias’ bezoek aan het landhuis gedroomd is, dat hij er dingen en personen van vroeger in terugvindt, en dat het licht niets lijkt te verbergen. Het speelaltaartje mag dan in de reële wereld verdwenen zijn, het is en blijft waarschijnlijk aanwezig in de droomwereld. We hebben hier in elk geval opnieuw te maken met een verwijzing naar de religie en de verbeelding. 

Elias verwacht ten slotte dat zijn moeder in de leefkamer zal binnentreden terwijl ze een versregel van Lamartine debiteert. Het is niet zo dat ze effectief binnenkomt. Dit detail is misschien niet zo onbelangrijk als het lijkt, want het laat ons toe een wilsaspect van Elias te veronderstellen. Misschien wil Elias wel dat zijn moeder binnenstapt, en dat ze de desbetreffende versregel voorleest. Deze laatste blijkt namelijk goed overeen te komen met de gemoedstoestand van Elias, die we eerder omschreven als ‘totale ontreddering’. De ziel van Elias is inderdaad wanhopig (“à son désespoir”), en Elias vindt in het landhuis wellicht ook trieste gevoelens (“tristes charmes”). Het is immers in de toestand van totale ontreddering dat hij terugkeert naar zijn jeugd, waar hij troostende, maar ook trieste gevoelens vindt, die misschien een band hebben met Elias’ heimwee naar die periode van zijn leven. Als we dit allemaal aanvaarden, dan verdroomt Elias het landhuis om troost te vinden (wat door de tekst gesuggereerd wordt), en om zijn moeder ook effectief woorden van troost te horen zeggen. Dit gebeurt echter niet, integendeel zelfs. Als Elias door het open raam leunt, ziet hij haar van zich wegzweven doorheen de maanbeschenen lucht; dit suggereert nu net verwijdering, in plaats van de gewenste toenadering. Meer nog, ze is zo ver van Elias verwijderd dat ze zijn geroep niet meer kan horen. Dit zweven van de moeder heeft een gotisch tintje, aangezien het ’s nachts gebeurt, de maan aanwezig is, en het geheel nogal spookachtig aandoet.

De exacte betekenis van deze verwijdering is niet echt duidelijk, maar misschien kunnen we wel een band veronderstellen met de slotzin van de roman: “Of mijne moeder sedert de dag van mijn huwelijk, nog in leven is?” (p. 374/p. 506). Elias kan enerzijds deze vraag aan zichzelf stellen, en dus niet weten of zijn moeder nog in leven is. Anderzijds kan het ook een retorische vraag zijn, en is de moeder van Elias inderdaad dood. Dan moeten we ons nog afvragen hoe we dit dood–zijn moeten interpreteren. Het is duidelijk dat Elias’ moeder in de roman aan kanker lijdt, stervende is, en wellicht niet al te lang meer zal leven. Het is daarnaast ook mogelijk dat de moeder van Elias blijft leven zolang hij niet getrouwd is, en dat ze op de dag van zijn huwelijk misschien het laatste restje verzet tegen de dood verliest. Wellicht moeten we de dood van Elias’ moeder niet als een lichamelijke dood beschouwen, maar veeleer als een verdwijnen uit Elias’ leven. Zo komen we volop in de Oedipale problematiek terecht. We hebben mogelijk te maken met een sterke moederbinding, wat we zouden kunnen afleiden uit Elias’ jeugd. Zijn vader blijkt namelijk vaak in Antwerpen te werken, terwijl Elias en zijn moeder op het landgoed verblijven. Zijn vader komt ook tussen in de sterke band van Elias met de vrouwelijke kant van de familie. In het tweede hoofdstuk hebben we al vermeld hoe vader Lasalle optreedt als zijn zoon het wat te hoog op heeft met de christelijke idealen. Misschien kunnen we deze tussenkomst beschouwen als een interventie van de vaderfiguur die de te sterke band van het kind met de moeder verbreekt, of in elk geval probeert te verzachten. Als Elias uiteindelijk huwt, wordt de band met de moeder mogelijk verbroken, of in elk geval veranderd. Na het kerkelijk huwelijk zegt Elias namelijk: “Kleine jongen, in mijn nachtgoed, liet ik het hoofd in haar schoot rusten vooraleer ik naar bed werd gedaan. De tijden, de kinderlijke geplogenheden zijn veranderd.” (p. 161/p. 299). Dit fragment geeft uiting aan de sterke moederbinding van Elias, die we misschien zelfs op een seksuele manier kunnen interpreteren; hij ligt tenslotte met zijn hoofd in de schoot van zijn moeder. Elias maakt echter tegelijk duidelijk dat deze situatie, deze innige band veranderd is, en dat de situatie na zijn huwelijk anders is dan in zijn jeugd. De intieme band met zijn moeder wordt ook gesuggereerd door wat op het fragment volgt: “zwaar leunt mijne moeder tegen mij aan. Alles is ermee gezegd, al hetgeen we met woorden niet zeggen kunnen. We zijn nog samen. Voor ons beiden is dát vooralsnog voldoende, gegarandeerd.” (p. 161–162/p. 299). In dit fragment lijkt Elias wel samen te zijn met een geliefde, en het slot van het fragment lijkt heel erg op een afscheid. We kunnen dus veronderstellen dat de band van Elias met zijn moeder erg intiem is, en dat deze band wellicht door het huwelijk verbroken wordt. Zo zouden we, naast een lichamelijke dood van de moeder, kunnen spreken van een symbolische dood door het verdwijnen van de moeder uit Elias’ leven. Hij gaat namelijk samenleven met een andere vrouw dan zijn moeder, en de Oedipale binding wordt opgegeven. Deze laatste mogelijkheid is misschien meer plausibel dan de eerste, aangezien Elias in het fragment van de hallucinatie zegt dat zijn moeder “in levenden lijve” van hem wegzweeft. De verwijdering wordt dus meer benadrukt dan de dood.

Hoe moeten we deze hallucinatie interpreteren in de context van de hele roman? Het is duidelijk dat de droom een vlucht is naar het kinderland, op zoek naar vertroosting. Elias vindt er echter ook trieste gevoelens, en vooral de verwijdering van de moeder. We kunnen de droom echter nog op twee andere manieren bekijken: vanuit het verhaal van de schim van Isabelle–Françoise, en vanuit het motief van het landhuis als identiteitsvormend gegeven.

We hebben reeds gewezen op de mogelijke overeenkomst tussen Elias en Isabelle–Françoise in het deel over de schim in het poppenhuis. Daar hebben we een mogelijke parallel gesignaleerd tussen de dwalende schim in het poppenhuis en de getergde Elias in het hotel. We vinden hier waarschijnlijk hetzelfde motief terug, maar dan met Elias als ronddolende schim in het landhuis.

We moeten er vooraf op wijzen dat Elias, in het fragment van de hallucinatie, zelf wijst op de mogelijke parallel tussen Isabelle–Françoise en zichzelf: “Zoals de schim van een schuldige bloedverwante in het poppenhuis rondwaarde, uit het hellevuur voor pijnlijker boete terug op aarde naar haar verleden teruggestuurd: van onder tot boven ben ik het kasteel rondgegaan.”. De gesuggereerde parallel is m.i. onmiskenbaar aanwezig. Net zoals Isabelle–Françoise is Elias teruggegaan naar het verleden, naar het landhuis van weleer. Hij is, net zoals zijn verwante, aan het ronddolen in een huis dat erg belangrijk is voor hem. Het heden van waaruit Elias naar het landhuis terugkeert is hels, wat we kunnen afleiden uit de tegenstelling tussen het nare heden en het veilige verleden. De parallel is echter niet compleet, aangezien de terugkeer voor Isabelle–Françoise een nog grotere straf is dan de hel, terwijl ze voor Elias iets troostends, veiligs, en dus positiefs bezit. We moeten echter wel wijzen op het feit dat de droom er uiteindelijk voor zorgt dat het heden nog helser wordt; door de overgang van het verleden naar het heden beseft Elias plots dat het troostende en veilige landhuis uit het verleden niet meer bestaat. Hij blijft dus vastzitten in een wereld waarin het troostende afwezig is. Zo zou de troostende droom toch een negatief gevolg kunnen hebben voor Elias, en misschien wordt dit nog versterkt door de gedroomde verwijdering van de moeder. Het blijft echter zo dat de parallel tussen Elias en Isabelle–Françoise overeind blijft, al is ze niet compleet.

De tweede invalshoek om het fragment te begrijpen is het belang van het landhuis uit Elias’ jeugd voor zijn identiteit. We hebben er al op gewezen dat Elias in zijn hysterische toestand vaak verhalen vertelt die hem in verband brengen met (voor hem) grote figuren. Deze figuren (de tantes, oom Augustin enz.) worden bijna altijd geplaatst in de context van het landhuis en van Elias’ jeugd. Hierdoor kunnen we veronderstellen dat deze periode immens belangrijk is voor hem. Hij heeft toen zijn eerste ‘geliefde’ ontmoet bij de dans rond het vuur, hij kwam toen waarschijnlijk in contact met de verbeelding door tante Henriette en met zijn eigen hallucinaties, het was wellicht toen dat de fundamenten voor zijn geloofsovertuiging gelegd zijn. Al deze voorbeelden lijken slechts één conclusie op te dringen: de periode en de plaats van het landhuis zijn identiteitsvormend voor Elias. Het landhuis vormt waarschijnlijk niet alleen zijn identiteit, het is mogelijk ook de periode en de plaats met het meeste geluk, en dus de periode waarnaar hij in moeilijke omstandigheden terugkeert. Het is echter geen letterlijke terugkeer. Al de mensen en voorwerpen uit het verleden zijn er niet echt meer aanwezig. Elias vindt er wel enkele verwijzingen naar mensen, hij ziet hun schaduwen in de muren, maar de mensen zelf zijn afwezig. Elias keert terug naar het landhuis, maar het is niet meer zoals het vroeger was, enkel de herinneringen lijken er aanwezig te zijn. Dit vormt dan weer een parallel met Isabelle–Françoise, voor wie het poppenhuis ook slechts een herinnering is aan het verleden. Ze keert niet terug naar het verleden, maar naar een deel van het verleden, i.c. het poppenhuis, dat veel herinneringen bevat.

Als we aannemen dat het verleden van het landhuis zo belangrijk is voor Elias, kunnen we misschien ook aannemen dat al de dromen die hij koestert uit dit verleden stammen. Als we even kijken naar de droomvoorstellingen die in dit hoofdstuk besproken zijn, blijkt dat dit wel eens correct zou kunnen zijn. De mythologisering van ‘Die Wahrheit’ stamt uit Elias’ jeugd, net als de toekomstdroom, die waarschijnlijk geplaatst moet worden in de context van de natuur rond het landhuis. Ook de schim in het poppenhuis is ontstaan in de jeugd van Elias. Misschien laten al deze dromen hem in het heden overleven, zorgen ze ervoor dat hij blijft dromen en dat hij in Gregoria de ideale vrouw blijft zien.

Door de beweging van het heden en het verleden beseft Elias plots dat het verleden niet meer bestaat. We moeten misschien even dieper ingaan op dit besef. In de droom lijkt alles namelijk in orde te zijn. Elias doolt in het landhuis rond, hij ziet er de herinneringen aan personen en gebeurtenissen, en hij ziet er ook verschillende voorwerpen die hem aan zijn jeugd doen terugdenken. Slechts één ding klopt niet: zijn moeder komt niet op hem toegetreden, integendeel, ze verwijdert zich van hem. De droom is dus niet perfect. Wellicht is de verwijdering van de moeder een aspect van het heden dat plots in de droom van het verleden tevoorschijn komt. Misschien doet deze valse noot hem beseffen dat het verleden niet meer bestaat. Dat laatste is van belang als we aannemen dat het verleden inderdaad belangrijk is voor Elias. Door het besef dat het landhuis van weleer niet meer bestaat, vallen wellicht ook de dromen weg, en kan Elias niet meer vluchten uit de realiteit. Als die dromen wegvallen, wordt Elias met zijn neus op de feiten gedrukt, en moet hij wel inzien dat Gregoria niet de ideale vrouw is, dat de toekomstdroom niet zal uitkomen, en dat ‘Die Wahrheit’ slechts een illusie is. Als we dit aannemen, hebben we eigenlijk te maken met een breuk tussen het verleden en het heden, of tussen het gedroomde heden en het reële heden. Waar Elias gedurende heel de roman de feiten niet wil inzien, beseft hij op het einde van de roman wellicht de harde realiteit. Het landgoed en het verleden bestaan niet meer; het eerste is in het heden omringd door gewone huizen, en het tweede wordt bedreigd door de vijanden in het heden. Opnieuw wordt duidelijk dat het landgoed en het verleden met elkaar te maken hebben, dat het ene waarschijnlijk niet zonder het andere kan bestaan. Zowel het landgoed als het verleden verdwijnen, en Elias blijft achter met “het nare heden”.

Deze ineenstorting van de leefwereld van Elias wordt misschien nog voorspeld door de vragen rond Gregoria als ‘Die Wahrheit’. Dat vindt men in de laatste toenadering van Elias tot Gregoria. Tijdens een onweer probeert hij weer geslachtsgemeenschap met haar te hebben, en als dit mislukt, is hij erg teleurgesteld:

“Wat anders weet ik niet te doen dan me tot aanvaarden, tot berusten te dwingen, het jammerlijk gedrag van Gregoria als een falsificatie van Die Wahrheit te accepteren, ofschoon die vervalsing de omvang van een catastrofe aanneemt.” (p. 355/p. 487)

Dit fragment is problematisch. Elias beschouwt hier namelijk niet Gregoria, maar wel haar gedrag als een falsificatie. De weigering van Gregoria om geslachtsgemeenschap te hebben wordt dus vergeleken met een vervalsing van ‘Die Wahrheit’. We hebben erop gewezen dat ‘Die Wahrheit’ voor Elias een ideaal object is, en dat hij door haar geluk en de opvulling van het gemis kan vinden. We hebben ook verondersteld dat Gregoria voor Elias ‘Die Wahrheit’ is, of er in elk geval kenmerken van vertoont. In dat geval wil hij bij Gregoria geluk vinden door middel van geslachtsgemeenschap. Als zij hem dit weigert, kan Elias inderdaad geen geluk en opvulling van het gemis vinden;daarom is Gregoria een vervalsing van ‘Die Wahrheit’. Ze geeft immers geen toegang tot zijn gedroomde geluk.

We kunnen deze twijfels van Elias misschien beschouwen als een voorbode van het ineenstorten van zijn wereld. Zijn vragen rond de frigiditeit van Gregoria doen hem twijfelen aan de status van Gregoria als ‘Die Wahrheit’, en bijgevolg aan zijn huwelijk. De lezer heeft deze twijfels wellicht al een tijdje, maar nu ziet Elias waarschijnlijk voor het eerst doorheen een waas van toekomstdromen dat Gregoria mogelijk niet ‘Die Wahrheit’ is. Op die manier begint zijn wereld mogelijk al te verbrokkelen.