Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

2. De religieuze opvattingen van Gregoria

2.1 Het geloof van de ouders en de invloed ervan op Gregoria

Wat de religieuze overtuigingen van Gregoria’s ouders betreft, is de roman niet zo expliciet, zeker in vergelijking met Elias’ ouders. Uiteindelijk kan men enkel iets zeggen over mevrouw Balthazar, aangezien vader Balthazar nauwelijks aanwezig is in de roman.

Een eerste aspect is de commerciële invloed op religie in de familie Balthazar. Zij bezitten nu eenmaal een kaarsenfabriek en een groot afnamegebied is de religieuze sector: “Van haar fideel cliënteel – kerk– en kloostergemeenten in binnen– en buitenland – kreeg ik de namen opgesomd” (p. 10/p.152). Deze commerciële kant van de geloofsbeschouwing is niet zo onbelangrijk als men wel zou denken. Men zou kunnen aannemen dat de familie Balthazar een diepgelovige familie is, die de bevoorrading van de verschillende geloofsgemeenschappen als een christelijke daad ziet. Dat dit niet zo is, blijkt vooral uit het uiterlijke vertoon dat men uit de details moet distilleren. Een van die details is het vrome blad La semaine d’ Averbode, dat door mevrouw Balthazar op een opvallende plaats gelegd wordt om zo de bezoekende geestelijken te beïnvloeden: “La semaine d’ Averbode (de periodiek met vrome vermaningen en fabeltjes) werd met patent commerciële oogmerken in de kijkerd gelegd wanneer men paters of nonnen van de cliëntèle op bezoek verwachtte. Ik vond er, speels, genoegen in het weekblad schijnbaar achteloos te verleggen, te zien hoe mevrouw Balthazar dadelijk druk in de weer er kwam op toegeschoten om het vrome druksel wederom een de aandacht wekkende plaats te geven, op de tafel of op een stoel.” (p. 16/p. 158). Het blad wordt dus slechts voor één reden aangekocht, namelijk om in de gunst te komen van de klanten. Meer nog, het wordt op een belangwekkende plaats gelegd, wat aangeeft dat het zelfs niet gelezen wordt. Dit moeten we later wel wat nuanceren.

De opportunistische visie van mevrouw Balthazar op geloof blijkt nog meer uit de zogenaamd godsdienstige argumenten die tijdens het huwelijk en de verloving gebruikt worden. Uit de discussie tussen Belcampo en Elias over Het Maria–Leven (p. 20–21/p. 162–163) concludeert ze dat Elias aanneemt “dat er in onthouding levende huwelijksparen” bestaan (p. 22/p. 164). Vooral het feit dat een religieuze discussie de aanleiding is voor zo een stelling, is van belang. Later gebruikt ze ook een (fictieve?) biechtvader om de onthouding in het huwelijk van Elias en Gregoria te rechtvaardigen (p. 310/p. 444). Religie wordt door mevrouw Balthazar dus niet als doel of als religie op zich gebruikt, maar wel als een manier om een bepaald doel, de goedkeuring van de klanten of een seksloos huwelijk, te bereiken. Ze misbruikt godsdienst als middel in haar opportunistische schema’s.

Toch is het beeld dat hier van mevrouw Balthazar geschetst wordt, nogal eenzijdig. We krijgen moeder Balthazar nu eenmaal te zien door de ogen van Elias, die verteller en focalisator is. De informatie die we krijgen is door hem geordend, en hij kan bepaalde informatie achterhouden. Zo is het best mogelijk dat mevrouw Balthazar elke week trouw naar de mis gaat, maar dat dit gegeven niet door Elias aan de lezer meegedeeld wordt. Hij laat ons als het ware slechts de negatieve dingen rond mevrouw Balthazar zien, met name haar opportunistisch gedrag, waarbij ze religie misbruikt om te krijgen wat ze wil. Dat ze dit doet, staat buiten kijf, maar dit betekent niet dat ze het geloof voor bepaalde doeleinden zou misbruiken zonder zelf te geloven. Misschien kunnen we het fragment van de processie even nader bekijken om tot een betere omschrijving van haar geloof te komen. Tijdens de verloving vindt de jaarlijkse processie in Silversande plaats, maar Elias wordt niet gevraagd bij de familie aanwezig te zijn als de processie voor hun deur voorbijkomt. Hij gaat dan maar bij Wom., niet zozeer om de processie te zien, als wel om een glimp van Gregoria op te vangen (p. 83/p. 223):

“Als de jaarlijkse processie uitging werd het venster op de verdieping wijd opengezet. Buiten, op de vensterdorpel, stonden twee kandelabers met brandende kaarsen. Het voltallige huisgezin Balthazar verscheen, als in een theaterloge. De ouders en hun dochters stonden gegroepeerd gelijk op een schilderij van le Douanier Henri Rousseau. Voorlopig ongehuwd, was het wellicht niet geraden mij als een aanhangsel van de familie in het open venster mede te doen verschijnen. Had Gregoria (ingefluisterd door haar mama) me niet willen wijsmaken dat een brouwerszoon, uit het naburige Billebom, haar in de buurttram onlangs een avance had gedaan? Natuurlijk was het een geintje om me jaloers te maken. –
De landweg lag met gesnipperd kleurpapier en wit zand bestrooid. Aan de overkant van de kaarsengieterij, eveneens voor een open venster stond ik naast Wom. op de komst van de processie te wachten. We zagen ze voorbijkomen. Vooraan liep een tamboer. Hij sloeg de trom om de langzame stapmaat van de processiegangers aan te geven. De ‘members’ van het boogschuttersgild; de manschappen van de vrijwillige brandweer waren erbij, met hun koperen helmen uit de tijd van de republikeinse, Franse terreur. Een wijnrood processievaantje, nauwelijks groter dan een handdoek, werd aan een veel te lange, magere stok meegedragen. Schoolknapen en schoolmeisjes werden door lekebroers en ma–sœurs begeleid. Een sliert van vijftigjarige maagden, in een sneeuwblank bruidstoilet met een hemelsblauwe ceintuur, was voor het stierlijk gezond boerenvolk een affrontelijk protest tegen de menselijke vruchtbaarheid. En daar, onder een baldakijn met gouden franje, kwam een missiepater met het Allerheiligste statig aangeschreden. Dán lag de hele familie Balthazar geknield, wat aan de stand van hun gezicht viel te merken, dat net boven uit de onderste rand van het vensterraam reikte, als vier gezichten van vier onthoofden. […]
En toch, déze processiezondag, evenals de vorige zondagen, had ik het niet kunnen laten naar Silversande over te komen, al ware het maar om, van bij Wom., uit de verte een glimp van Gregoria op te vangen. Ik kon er niet aan weerstaan haar toe te wuiven, in de vaste hoop dat ze naar mij hetzelfde zou doen. Om mijn gewuif te beantwoorden, doch opdat mevrouw Balthazar er niets van gemerkt zou hebben, frutselde Gregoria aan het bovenste knopje van haar blouse.” (p. 82–83/p. 222–223).

Het eerste wat opvalt, is Elias’ negatieve beschrijving van het gebeuren. De familie Balthazar, die in de vensteropening verschijnt, wordt beschreven alsof ze in een theaterloge staat, wat impliceert dat de hele processie een theaterstuk is. Men moet wel beseffen dat dit een connotatie van Elias is, wat wil zeggen dat hij vindt dat de processie een theaterstuk is. Wellicht is dit voor de familie Balthazar helemaal niet zo. Vervolgens wordt de groepering van de familie Balthazar beschreven alsof ze op een schilderij thuis hoort. De verwijzing naar een tableau vivant is hier niet zo vreemd, en Elias verwijst waarschijnlijk vooral naar de onbeweeglijkheid van de familie. Daarnaast is deze houding wellicht legio in die tijd of tijdens de processie; Elias staat tenslotte ook met Wom. in een vensteropening. Het onbeweeglijke van de familie Balthazar wordt nog verder benadrukt als ze in beweging komen en ze onthoofd lijken te zijn. Wat deze connotatie precies betekent, is niet helemaal duidelijk. De onbeweeglijkheid is er zeker in aanwezig, maar ook de dood. Het is alsof de familie Balthazar haar doodvonnis getekend heeft door te knielen.

Ook de processie zelf wordt door Elias als negatief ervaren. Het processievaantje wordt gelinkt aan een handdoek. De vijftigjarige maagden zijn voor Elias een protest tegen de vruchtbaarheid, wellicht omdat geslachtsgemeenschap en kinderen niet onbelangrijk zijn in Elias’ visie. De schoolkinderen worden begeleid door lekenbroeders en ma–sœurs, wat niet zo positief is als men de mening van Elias over deze mensen kent (denken we bijvoorbeeld maar aan zijn houding tegenover pater Belcampo). De helmen van de vrijwillige brandweer worden gekoppeld aan de bloedige Franse republiek. Het zou kunnen dat het hele gebeuren voor Elias slechts uiterlijk vertoon is, waarmee hij niets te maken wil hebben. Dit wordt nog bijgetreden door de nadruk op ‘dan’ als de familie Balthazar neerknielt. Het is alsof Elias wil zeggen dat het gebeuren, en de familie Balthazar doet daaraan mee, geen ziel heeft, maar wel veel uiterlijk vertoon. Het Allerheiligste is volgens Elias niet iets om voor te knielen, en toch doet de familie Balthazar het. Misschien mag men niet zover gaan in de interpretatie van de klemtoon op een klein woord, maar ook de connotatie van de dood (“vier gezichten van vier onthoofden”) als de familie neerknielt draagt niets positief in zich.

We kunnen de hele scène echter ook van een andere kant bekijken. De roman behandelt nu eenmaal de jaren dertig, een periode waarin mensen diepgelovig waren. De volledige dorpsgemeenschap is blijkbaar op de been voor de processie: de boogschuttersgilde, de vrijwillige brandweer, de schoolkinderen, en zelfs een missiepater. De mensen staan wellicht allemaal in hun vensteropening of voor hun huis; en men mag niet anders verwachten in die periode en in een dorpsgemeenschap. Het hele gebeuren kan voor Elias een voorbeeld van uiterlijk vertoon lijken, maar dit wil niet zeggen dat dit ook zo is. Het zou immers ongepast geweest zijn niet te verschijnen tijdens de processie en niet neer te knielen voor de monstrans, die nu eenmaal het Lichaam van Christus bevat. Als men dit allemaal in beschouwing neemt, dan is de familie Balthazar helemaal niet ongelovig of opportunistisch. Blijkbaar nemen de Balthazars deel aan het dorpsleven en zijn ze gelovig. Het is waarschijnlijk de libertijnse godsdienstopvatting van Elias, die niet meer in de liturgische religie gelooft, die heel het gebeuren in een slecht daglicht plaatst.

Nog twee dingen moeten besproken worden met betrekking tot dit fragment. Het eerste is de vraag van de familie aan Elias om niet bij de processie aanwezig te zijn. Het zou kunnen dat men dit in het kader van heel de processie moet zien. Het is nu eenmaal een gebeuren van, door en voor het dorp, en misschien vindt de familie Balthazar het niet zo leuk als een buitenstaander bij het gebeuren aanwezig is. Het tweede is het wuiven van Elias naar Gregoria en haar reactie. De processie zou wel eens belangrijk kunnen zijn voor de familie Balthazar; daarom kan het ook als ongepast beschouwd worden als iemand plots begint te wuiven. De reactie van Gregoria is voor Elias een reactie op zijn gewuif, maar het lijkt correcter om het frutselen aan haar knopje te beschouwen als een teken van schaamte, alsof ze niet weet wat ze moet doen. Ze is met haar familie aanwezig bij een processie, en het wordt wellicht als uiterst ongepast ervaren om dan even naar je verloofde te beginnen wuiven.

Ook de discussie tussen Elias en pater Belcampo is niet onbelangrijk om opportunisme toe te schrijven aan mevrouw Balthazar. De interventie van pater Belcampo kan ook vanuit een andere invalshoek bekeken worden. Het is wellicht normaal dat een schoonmoeder zich vragen stelt bij het geloof van haar schoonzoon als die een bundel als Het Maria–Leven schrijft. Voor Elias is het perfect aanvaardbaar om zoiets te schrijven, maar voor een normale gelovige kan dat problematisch zijn. Daarom is de interventie van pater Belcampo misschien niet zo vreemd. Na het gesprek met pater Belcampo vraagt Elias dit zich overigens zelf af: “en híj13 "hij" (zonder nadruk) in: GILLIAMS, MAURICE, Ik ben Elias. Romans en verhalen. Meulenhoff, Amsterdam, 2000. was het, Wom., die de mama van Gregoria er had toe overgehaald mijn geweten door pater Belcampo te doen examineren: of ik oprecht katholiek geloofde en leefde, of ik haar dochtertje, ingevolge het voorschrift der roomse religie, waardig was?” (p. 21/p. 163). Vanuit het standpunt van mevrouw Balthazar is zo een test erg begrijpelijk. De conclusies die ze ermee verbindt, zijn echter niet zo goed te begrijpen: ”Naar het scheen was het voluit door mij aangenomen, dat er in onthouding levende huwelijksparen bestonden.” (p. 22/p. 164). Het probleem is hier opnieuw dat de lezer niet weet en niet kan weten wat er in de discussie door Elias gezegd geweest is, aangezien het helemaal niet vermeld is. Men kan dus slechts van Elias aannemen dat de conclusie van mevrouw Balthazar “lichtzinnig uit de lucht gegrepen” (p. 22/p. 164) is. We kunnen concluderend aannemen dat mevrouw Balthazar wellicht gelooft, maar het staat ook vast dat ze religieuze argumenten misbruikt om Elias te beïnvloeden.