Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

2.2 Het geloof van Gregoria zelf

In welke mate heeft de geloofsovertuiging van mevrouw Balthazar invloed op Gregoria? Is ze even gelovig? In deze paragraaf zullen we de antwoorden op deze vragen trachten te vinden.

Het eerste fragment waarin we een antwoord kunnen vinden, bevindt zich in een zoektocht van Elias naar de oorzaak van de problemen die hij en Gregoria hebben. Hij zoekt, met andere woorden, naar de reden waarom Gregoria geen geslachtsgemeenschap met hem wil hebben.

“Op de korrel genomen is Gregoria in orthodox confessionele zin onderontwikkeld. Een gehuwde vrouw, wil ze haar maagdelijkheid bewaren? Nochtans is ze tuk op orgastische weelde, echter op zulkdanige wijze zoals ze haar natuur het gedaan wil krijgen. Gevooisd gelijk haar mama, onverdraagzaam, kan zij het hebben over godsdienstig geloof en ketterij. ’s Zondags, van kindsbeen af, trekt ze mooiere kleren aan, gaat ze vooraan in de dorpskerk op een kussenstoel geknield zitten, laat ze een van haar mama gekregen, gereedgehouden muntstuk in de rondgaande offerschaal rinkelen. Om een verloren sleutel terug te vinden, werden haar occasionele schietgebedjes aangeleerd. Om te trouwen heeft men Gregoria echter scheep doen gaan met enkel aan een gouden halskettingetje een gewijde medaille.” (p. 234/p. 370).

Het eerste opvallende element is de beschrijving van Gregoria door Elias. Ze wordt door hem namelijk getypeerd als “in orthodox confessionele zin onderontwikkeld”, mogelijk in vergelijking met zijn eigen geloof. Uit de verdere beschrijving blijkt dat Gregoria een trouwe kerkgangster is. Mogelijk doelt Elias met haar onderontwikkeling op het feit dat ze elke week naar de mis gaat zonder verder na te denken over wat er gezegd wordt. Ze blijkt elke week vooraan in de kerk te zitten, wat, net als haar mooiere kleding, een teken kan zijn van haar sterk geloof. Bij al deze zaken blijkt de invloed van haar moeder aanwezig te zijn. Ze gaat namelijk reeds als kind mooi gekleed naar de mis om daar vooraan te zitten. Het muntstuk dat ze tijdens de offerande in de schaal werpt, heeft ze van haar moeder gekregen, en de schietgebedjes voor verloren zaken zijn haar wellicht door mevrouw Balthazar aangeleerd. Als toppunt van dit alles blijkt ze over ketterij dezelfde gedachten te hebben als mevrouw Balthazar. Gregoria lijkt dus dezelfde ideeën en gewoonten over geloof te hebben als haar moeder, weliswaar vanuit het standpunt van Elias. Tijdens de verloving worden de boeken die Gregoria zou lezen door Elias opgenoemd, en er wordt enkel verwezen naar het vrome blad La Semaine d’ Averbode (p. 100/p. 240). De stelling dat het tijdschrift enkel voor commerciële doel–einden gebruikt wordt (cf. supra), moet hier gerelativeerd worden; La semaine d’ Averbode wordt blijkbaar gelezen door Gregoria. Mevrouw Balthazar lijkt haar dochter in elk geval opgevoed te hebben in het rooms–katholieke geloof, zonder dat men er negatieve connotaties aan mag vasthechten.

Deze negatieve connotaties zijn vooral toevoegingen van Elias, en ze zijn te begrijpen vanuit zijn geloofsovertuiging. Hij denkt kritisch na over zijn geloof en hij heeft zich, al is het slechts gedeeltelijk, afgekeerd van het liturgische en officiële geloof, zoals hij net na het vorige citaat zelf zegt: “Van gemoed veeleer op constant doorwegende waarden dan op vluchtig sentiment gesteld, heb ik het zogenaamd wáre geloof verzaakt. Mijn nostalgie naar christelijkheid is in mijn verering voor de humane Jezus gelegen.” (p. 234/p. 370). Vanuit een objectief standpunt is Gregoria wellicht gewoon een trouwe kerkgangster, maar vanuit het standpunt van Elias is haar geloof af te keuren of, zoals hij zelf zegt, onderontwikkeld. Daarom worden hier haar ideeën over ketterij vermeld, namelijk omdat Elias vanuit haar standpunt een ketter, een ongelovige is. Haar sterk geloof wordt ook nog in contrast geplaatst met het masturberen, dat voor de katholieke kerk onaanvaardbaar is. Het einde van het fragment is echter een raadsel. Waarom wordt de haar geschonken medaille door Elias als negatief ervaren? Als men de logica van zijn redenering volgt, zijn de schietgebedjes belangrijker dan het gewijde gouden sieraad, wat blijkt uit de uitdrukking “scheep doen gaan met enkel”. Waarom wordt het medaillon door Elias zo geminacht? Omdat hij het gebruik ervan minacht? Of omdat men Gregoria, in plaats van het sieraad, beter een seksuele opvoeding gegeven had? Het laatste argument past misschien beter in de context van de redenering van Elias; hij was tenslotte aan het nadenken over de problemen rond de consummatie van het huwelijk. Vanuit die redenering kan het voor hem inderdaad absurd lijken haar een gewijd medaillon te geven en een degelijke uitleg over haar maritale rechten en plichten achterwege te laten. 

Het geloof van Gregoria blijkt echter meer te impliceren dan haar schietgebedjes en haar wekelijks kerkbezoek. Ze lijkt namelijk ook een groot schuld– en zondebesef te hebben, dat al in haar jeugd aanwezig is. Het volgende fragment moet gezien worden in de context van Elias’ gedachten over hoe hij na de huwelijksreis in Silversande zou gaan wonen. De beschreven kamer is de kamer van Gregoria.

“Vroeger, naar ik het in onze verlovingsjaren van Gregoria te weten kwam, was er aan de kamerwand naast het ledikant een ingelijste kleurprent opgehangen. Hangt die er nog, misschien? Adam en Eva, uit het paradijs verdreven, stonden erop afgebeeld. Door een engel, gewapend met een vlammend zwaard, werden ze de hofpoort van Eden uitgewezen. Gregoria heeft ervan verteld, eenvoudig om met hár jeugdige belevingen niet bij mijn jeugdervaringen ten achteren te blijven. Inmiddels, is die prent uit haar slaapkamer verdwenen? Waarom ik juist nú daaraan denk, er belang aan hecht? Voor mezelf is het niet bepaald duidelijk uit te leggen. Gregoria, nog een piepklein meisje, in haar slaapjapon naar bed gebracht, heeft naar die engel–in–kleurendruk vaak angstig opgekeken. Is dat angstgevoel vanzelf in haar opgekomen? Werd ze door iemand van den huize bang gemaakt? In de voorbije dag gebeuzeld, of ongehoorzaam geweest, of met Vincentia geruzied, een scène met kreten en tranen uitgelokt: dan, zeker, ging er in haar kinderdroom een engel met een vlammend zwaard verschijnen. Het licht door mama in de slaapkamer gedoofd, alleen gelaten, dook Gregoria diep onder het beddelaken, stijf van schrik omdat ze, schuldig, haar straf niet kon ontlopen. Op welke wijze die bestraffing had kunnen geschieden? Ze wist het niet te verklaren. Ze had er een voorgevoelen van, doch steeds is het daarbij gebleven, wat niet belet, (en ik mocht het gerust van haar aannemen), dat de uiteinden van haar vingers en tenen er koud bij werden.” (p. 252/p. 387–388).

Het verband tussen de prent en de zonde is natuurlijk niet toevallig. God verdreef Adam en Eva nu eenmaal uit de tuin van Eden omdat ze de eerste zonde begaan hadden, de zogenaamde zondeval. Die zonde bestond uit het eten van een vrucht van de boom der wijsheid, waardoor ze kennis van goed en kwaad kregen. In de bijbel zelf worden ze door God uit de hof van Eden gejaagd, en niet door een engel, zoals in Gregoria gezegd wordt: “Hij verjoeg dus de mens uit de uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.” (Genesis 3, 24)14 Geciteerd uit de Willibrordvertaling,gepubliceerd door de Katholieke Bijbelstichting Boxtel in 1981.. Een kerubs wordt tegenwoordig veeleer een cherubijn genoemd; het is enerzijds een bovennatuurlijk wezen dat in het Oude Testament verbonden wordt met de ark, en anderzijds een engel van de tweede rang, na de serafijnen. Serafijnen zijn dan weer engelen van de hoogste rang, die in de onmiddellijke nabijheid van God lofliederen zingen. Hoewel de tekening in Gregoria niet helemaal in overeenstemming blijkt te zijn met de bijbel, werken we toch verder met deze voorstelling van de verdrijving. Naast het bed hangt dus een tekening waarop het gevolg van de eerste zonde van de mens afgebeeld staat: hij wordt verdreven. Aangezien in de overlevering elke mens een nakomeling van Adam en Eva is, wordt Gregoria er impliciet aan herinnerd dat ze zondig is, net als haar verre voorouders. Ze wordt niet alleen herinnerd aan Adam en Eva, maar ook aan de straf, die op de prent afgebeeld staat als de verbanning door een engel met een vlammend zwaard. Zo wordt Gregoria impliciet ingeprent dat aan elke zonde, ook door haar begaan, een straf vasthangt; deze ziet ze dan uitgevoerd door de engel met het vlammende zwaard.

Uit het fragment blijkt dat Gregoria als kind reeds bezig is met zonde en schuld. Mogelijk hebben familieleden haar aangezet tot deze gedachten. Als ze niet braaf is, zal ze gestraft worden door de engel op de prent, die een traditionele vertegenwoordiger is van God. De engel verschijnt nooit, maar Gregoria verwacht er zich wel aan, en deze vrees voor de engel kan vergeleken worden met andere kinderangsten. Elk kind heeft wel eens schrik van een boeman onder het bed, van een spin op het plafond, of van slangen onder de lakens. Deze kinderangst heeft m.i. echter grotere gevolgen. De engel wordt hier als een boeman, als een bestraffer voorgesteld, en aangezien hij een vertegenwoordiger van God is, is de link met een bestraffende God waarschijnlijk. In plaats van de goede, vergevende God vindt men hier de kwade, wrekende God. Dit is niet echt in overeenstemming met de nieuwtestamentische geloofsleer; daar wordt immers tot de vergevende en goede God gebeden. De God die hier voorgesteld wordt, doet veeleer denken aan de oudtestamentische straffende en wraaknemende God, maar dit moet genuanceerd worden. We kunnen niet met zekerheid vaststellen dat de God in Gregoria’s verbeeldingsleven slecht of kwaad is, of dat de engel wel door God gezonden is. De band met de bestraffende engel is dus niet absoluut zeker, maar kan wel onder voorbehoud aangenomen worden. Wel staat vast dat Gregoria als kind voor de minste fout of zonde een straf verwacht van een engel, en dat ze in haar jeugd erg bevreesd is voor die straf. Dit blijkt uit haar reactie op de engel: stijf van schrik onder de lakens kruipen. Ze kan zich ook geen voorstelling maken van de straf, enkel dat die straf zou komen. Het droombeeld komt veeleer overeen met de het traditionele beeld van de boeman. Als je stout bent, komt de boeman je halen.

Het schuldbesef blijft echter niet beperkt tot de kindertijd van Gregoria. Ook als volwassene blijft ze bezig met haar zonden, die schijnbaar mathematisch opgeteld worden. Dit kan men afleiden uit het motief van de vlekjes op de vingernagels, dat verschillende keren in de roman terugkeert (p. 96, p. 187–188, p. 226, p. 297/p. 236, p. 325, p. 362, p. 431). Het probleem is dat het motief op twee verschillende manieren gerepresenteerd wordt. Daarom zullen ook twee fragmenten gebruikt worden om het te bespreken. Het eerste fragment moet gesitueerd worden op de dag voor het huwelijk, als Elias Gregoria tracht te omhelzen. Hij is er net in geslaagd haar verstarring te verbreken, en hij denkt na over de manieren waarop Gregoria hem schaakmat probeert te zetten als hij haar wil omhelzen. Een van die manieren is het verhaal over de witte stipjes:

“Het candide fabeltje over de witte stipjes in haar vingernagels ben ik er niet bij vergeten. Toen ze die stipjes berouwvol telde, mocht ik het van haar aannemen dat ze ‘zovele keren zondig is geweest als er stipjes van overgebleven waren’.” (p. 96/p. 236).

Het zondebesef uit Gregoria’s kindertijd bestaat dus nog als ze volwassen is. Het is opvallend dat de zonde niet meer in haar hoofd, geweten, of welk geestelijk kader ook te vinden is, maar dat de zonde te zien is op haar lichaam, in casu haar nagels. Men kan dit fragment op twee manieren interpreteren. Enerzijds is het mogelijk dat ze haar best doet om die stipjes, dus de zonden, weg te krijgen, want er zijn er ooit nog meer geweest. Dit kan men afleiden uit het woord “overgebleven”. Het is anderzijds ook mogelijk dat de stipjes vanzelf verdwijnen. Het zondebesef is in elk geval erg groot geworden, misschien nog groter dan in haar jeugd.

Het tweede fragment geeft een ander beeld van de stipjes. Het moet gesitueerd worden tijdens de treinreis naar de Ardennen, als Elias nadenkt over de problemen tijdens de huwelijksnacht.

“Toen ze, nog daags voor onze bruiloft, de vlekjes in haar vingernagels telde, mij wilde doen geloven (uit plezier om me te plagen) dat ze zovele keren zondig was geweest als er vlekjes in haar vingernagels bijeen te tellen waren” (p. 187–188/p. 325).

Elias verwijst hier naar het vorige fragment en vermeldt ook nog dat Gregoria de plekjes telt. Dit betekent dat ze er bewust mee bezig is, dat het wellicht niet, zoals Elias aanneemt, een fabeltje is, maar dat Gregoria ervan overtuigd is dat de plekjes haar zonden representeren. In dit fragment vinden we het woord “overgebleven” echter niet terug. Als men zich enkel op dit fragment baseert, dan worden de plekjes slechts opgeteld en verdwijnen er geen, want het zijn niet de “overgebleven” stipjes. Dit lijkt een klein detail, maar het is wel belangrijk om de rol van de stipjes in de religieuze overtuiging van Gregoria te onderzoeken. Als de stipjes immers niet kunnen verdwijnen, dan is er ook geen vergiffenis mogelijk. Nog één aspect van de stipjes moet behandeld worden, met name het tellen ervan. Dit aspect komt al voor in het fragment op p. 187–188/p. 325, maar het wordt herhaald in de passage waar Elias op wandeltocht gaat en nadenkt over de problemen tijdens de verloving en in zijn huwelijk. Hij verwijst naar Gérard de Nerval, en Kleist en zijn gezellin, en dan verwijst hij naar Gregoria: “Gregoria blijft laat in bed wakker liggen om de witte stippen in haar vingernagels te tellen.” (p. 297/p. 431). Het feit dat ze wakker blijft liggen, enkel en alleen om de stipjes te tellen, kan al verwijzen naar het dwangmatige karakter van de handeling. Het is daarnaast ook nog een bewijs voor haar dwangmatige omgang met de zonde, aangezien de stipjes haar zonden representeren.

Een logische vraag is welke zonden door de stipjes gerepresenteerd worden. Zijn het alle zonden of slechts een bepaalde soort zonden, in casu de masturbatie van Gregoria? Of is de masturbatie nu net een manier om vergiffenis te krijgen voor haar zonden? Dat laatste is nog niet zo vreemd als het klinkt. Gregoria neemt namelijk haar paternoster mee naar bed, en op p. 253/p. 388 zegt Elias: “Is het om tegen een fantoom uit haar kinderjaren zich te wapenen, dat ze nog altijd een paternoster meeneemt naar bed? Beoogt ze mij te stichten, me door middel van een bidsnoer in bed tot een platonische aftocht over te halen? Voor hetgeen de vingertoppen van haar ene hand aan de kralen van de rozenkrans gevoelen, blijven de vingertoppen van haar andere hand zonder belangstelling.”. Na dit fragment begint Elias te vertellen over hoe hij en de andere schooljongens op de kostschool verplicht werden hun handen boven de lakens te leggen, om zo masturbatie tegen te gaan (cf. supra). Wordt hier gesuggereerd dat Gregoria masturbeert terwijl ze aan het bidden is? Dat de vingertoppen van de ene hand gebruikt worden om te masturberen, en die van de andere hand om te bidden? Dat zou meteen de band tussen de plekjes op de vingernagels en het masturberen verklaren, aangezien ze allebei iets met de vingertoppen te maken hebben. Of moeten we de eerste mogelijkheid aanvaarden, dat het masturberen niets met het bidden te maken heeft, maar wel met de zonde? Dan zouden de plekjes op haar nagels het aantal keren zijn dat ze gemasturbeerd heeft en bidt ze ’s avonds om vergiffenis te krijgen voor deze zonden. Vragen en mogelijkheden genoeg, maar er is niet echt een element dat het ene of het andere als interpretatie rechtvaardigt. Misschien is er nog een derde mogelijkheid, waarbij de masturbatie een bezwerend ritueel zou kunnen zijn voor de angstaanjagende droom van de straffende engel. Gregoria beseft dat ze bepaalde zonden begaan heeft, en deze gedachte is bijna dwangmatig in haar gedachten aanwezig. Om zich tegen de engel te beschermen, bidt ze met de paternoster; maar ook masturbatie wordt door Elias gesuggereerd. Het bidden en masturberen zou dan een dwangmatig afweringsritueel kunnen zijn. Door dit ritueel begaat Gregoria opnieuw een zonde, masturbatie, waardoor ze weer een schuldgevoel heeft. Om vergiffenis te krijgen en om zich tegen de engel te beschermen, voert ze weer het ritueel van het bidden en het masturberen uit, waardoor ze uiteindelijk terechtkomt in een vicieuze cirkel.