Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

1. De religieuze opvattingen van Elias

De visie van Elias op het christelijke geloof moet beschreven worden vanuit de ontwikkeling ervan; die blijkt vooral bepaald te zijn door de botsende overtuigingen van Elias’ ouders, i.e. een conflict tussen de humane Christus van de vader en de Christus als Zoon van God van de moeder (en haar familie). Later zal blijken dat deze dichotomie ook nog aanwezig is in Elias’ eigen visie op religie.

1.1 Het geloof van de ouders en de invloed ervan op Elias

De beste manier om de botsende overtuigingen van Elias’ ouders te bespreken is m.i. de discussie rond Jacques Sucquet (p. 32–37/p. 173–178), een zeventiende–eeuwse voorouder van Elias langs de afstammingslijn van diens moeder. Hij had op jeugdige leeftijd artistieke ambities, maar is uiteindelijk priester geworden. Elias’ vader stelt een tekst van Jakob Campo Weyerman voor waarin deze de draak steekt met Jacques’ drang naar alcohol, chocolade en tabak. Vader Lasalle treedt op in verdediging van Jacques en dus tegen Weyerman, en het fragment neemt hier een aanvang:

“Jakob Campo Weyerman had ons een Jacques te zien gegeven als een van die ordinair koddige slampampers op de genreschilderijtjes van een Joos van Craesbeeck of een Isaäk van Ostade, namelijk een sufferd, in het clair–obscur van kaarslicht en tabakswalm, idolaat neerkijkend op een stel geledigde en nóg te ledigen wijnflessen. Dat levensbeeld weigerde mijn papa als compleet en exact te aanvaarden, er sterk van overtuigd dat er, in de biografische annotaties van Weyerman, aan de neurotische ongemakken van Jacques Sucquet voorbij was gezien ofschoon de weerloze heerneef er belaagd door werd. Want evenals door zijn buitensporige drankzucht en overmatig rookgenot, maar zoveel directer nog door een latent, onomschrijfbaar kinderleed is het levenseinde van Jacques bespoedigd geworden. Ten langen leste is hij aan een fataal, neurotisch, kinderlijk zeer bezweken. En eigenaardig genoeg: in de lamenterende ondertoon van zijn correspondentie, versluierd, duidend, is er van zijn verlies aan levensmoed een doffe weerklank op te vangen. Wanneer de komende lente hem verkwikking belooft, dan zoekt hij aan een onbenullige gemeenplaats een evenzeer onbenullig houvast te vinden. Een artiest, moet Jacques tevergeefs aan een gelukkige kinderdroom gelaboreerd hebben. Zijn studie van het kerklatijn, van allerlei theologische zekerheden en disputen; zijn hinderlijk, principieel sober monnikenbestaan (oh, zijn gebedel om chocolade): naar de geest heeft het hem niet valide gemaakt. Dat men door in het leven te blijven een zware last van onuitgevoerde wanhoopsdaden mede op sleeptouw neemt: die waarheid is Weyerman waarschijnlijk gans onbekend gebleven. Om Jacques van zijn krachtverspillende melancholie te genezen: een parapsychologische behandeling was er indertijd niet voor uitgevonden.
Met een luidruchtig, misprijzend protest van de tantetjes werd de redenering van mijn papa voor fatalistisch arrogant afgewimpeld. Het lichtzinnig gedrag van heerneef, hem door zijn energieloze natuur ingegeven – foei! dat drinken en roken; foei! die zondige beneveling waardoor hij niet meer vast op zijn benen kon staan –, om geen enkel excuus verdiende het pardon. Zelfs de poëtisch aangelegde tante Henriette, die wat betreft een aangebrande aangelegenheid meestal een riskante, vergoelijkende houding durfde aan te nemen: ze riposteerde thans vinnig op het inschikkelijk betoog van mijn papa. […] Bovenarms ging het er nu aan toe. Die in de voorbije tijd ver van ons verwijderde heerneef, een gewijde en gezalfde, had zijn beproevingen dienen te aanvaarden als de van hogerhand hem opgelegde lasten. Ze werden hem door de Voorzienigheid aangeboden als een kans om voor zijn vermoeid gemoed aflaat te verdienen, zijn boetvaardige ziel te louteren. Ce qui gêne l’homme le fortifie, had tante Henriette ergens in een stichtelijk traktaat gelezen. Mijn verdraagzame papa, om het christenideaal van tante Henriette niet te krenken, onthield er zich van te repliceren met wat hij over de menselijke wankelmoedigheden zoal dacht. Tante, hyperfijn bezenuwd en intelligent: van zichzelf moet ze geweten hebben dat ze gestadig aan door zelfontleding werd gekweld, qu’ elle avait besoin d’ être malheureuse, hetgeen absoluut niet strookte met haar fanatieke, christelijke orthodoxie.” (p. 35–37/p. 176–178).

Dit fragment geeft goed de verschillende opvattingen weer. Enerzijds geeft vader Lasalle een context en een vergoelijkende verklaring voor de vermeende verslavingen van Jacques. In plaats van naar de buitenkant (de tabak, de chocolade en de alcohol) te kijken, neemt hij de persoon achter de uiterlijke verschijning in beschouwing. Men mag volgens hem de uiterlijke problemen niet als vaststaand aanvaarden zonder naar de mogelijke achterliggende oorzaken te kijken. De verslavingen zijn slechts een manier om een teleurstelling te compenseren, met name de droom van een artistieke carrière die niet uitkwam. Niets kan deze teleurstelling teniet doen: niet de alcohol, de tabak of de chocolade, maar ook niet de teksten en het gedachtegoed van het christelijke geloof. Jacques is, aldus vader Lasalle, gestorven aan een droom die nooit is uitgekomen. Hij bekijkt de heerneef als een mens die onder bepaalde omstandigheden doet wat net door die omstandigheden goed te begrijpen is. Hij probeert zich in de positie van Jacques in te leven, en hij blijft daarbij met beide voeten op de grond. Vader Lasalle verwijst niet naar God, noch naar het priesterambt van Jacques om diens problemen te verklaren. Als oplossing voor Jacques’ problemen vermeldt vader Lasalle de parapsychologische behandeling, die weliswaar pas in de negentiende eeuw ingang gevonden heeft, maar die wat hem betreft een goede oplossing is. Belangrijk hierbij is dat vader Lasalle alles op het niveau van de mens bekijkt. Deze manier om de dingen te bekijken blijkt ook uit de voorgaande pagina’s. Zo vraagt hij zich tijdens een voorgaande discussie af “of Jacques, de miniaturist, om prestigeredenen door zijn ouders werd gepraamd priester, kloosterling te worden?” (p. 32/p. 174), en “of tante [Henriette] van iedere kloosterling geestvervoerende belevingen verlangde, een roes van mystieke geneugten?” (p. 34/p. 175), wat meteen duidelijk maakt dat hij niet echt gelooft in een roeping van Jacques, noch in een mystiek geloof. Blijkbaar gelooft hij wel in menselijke handelingen, dialoog en omstandigheden, wat blijkt uit zijn uitleg over Jacques’ levensloop.

Het leven van Jacques wordt vanuit een volledig verschillend perspectief bekeken door de vrouwelijke kant van de familie, met name Elias’ tantes. Elias’ moeder wordt hier (en elders in de roman) nauwelijks vermeld als het over godsdienstige beschouwingen gaat, maar men kan aannemen dat zij hetzelfde geloof belijdt als haar zusters. Voor hen is het onaanvaardbaar dat iemand rookt en drinkt, dat hij zijn toevlucht neemt tot drugs, om de pijnlijke levensomstandigheden, veroorzaakt door een onvervulde droom, te verzachten. Geen enkele levenssituatie, hoe penibel ook, is daarvoor een geldig excuus. De mens heeft zijn lot te aanvaarden zoals het door God bepaald is, hij moet zich neerleggen bij zijn lot. De denkpiste van de tantes gaat zelfs nog verder, aangezien de moeilijke emotionele omstandigheden waaronder Jacques geleefd heeft voor hen een uitgelezen kans bieden om boete te doen. De tantes verwijzen dus helemaal niet naar de menselijke omstandigheden of naar de mens op zich, maar bekijken alles vanuit het perspectief van hun geloof. Jacques’ melancholie is een proef of een kans tot boetedoening, en daar moet hij op een geestelijke manier, dus zonder genotmiddelen, gebruik van maken. Ironisch genoeg wordt hier het geloof van beide tantes doorprikt, aangezien tante Henriette zelf aan melancholische buien lijdt en tante Theodora geleid wordt door hebzucht. Vooral de scherpe reactie van tante Henriette is bijgevolg vreemd, omdat het bij haar, net als bij Jacques, om een neurologische aandoening gaat, wat inderdaad moeilijk te verzoenen is met de christelijke orthodoxie. De kritiek op Jacques geldt ook voor haar, en de scherpe reactie komt als een boemerang naar haar terug.

Het fragment is tevens belangrijk voor Elias, aangezien ook hij last heeft van melancholische gevoelens. Men kan in dit fragment ‘Jacques’ perfect door ‘Elias’ vervangen als men de verslavingen en de roeping van Jacques buiten beschouwing laat. In dit opzicht is zelfs een vergelijking met het tweede cahier van Elias of het gevecht met de nachtegalen niet arbitrair.

Op basis van dit fragment zien we duidelijk hoe binnen de familie van Elias twee tegengestelde opvattingen met elkaar in botsing komen. Het is tussen deze twee opvattingen dat Elias zich zal bewegen.

Een goed voorbeeld van deze beweging is de passage waarin Elias op zolder een altaar bouwt en er missen opdraagt (p. 121–124/p. 260–263). Alles is er aanwezig: een altaar met een crucifix en kandelaars, een bijbel, een tinnen drinkbeker met bessensap als wijn, en daarnaast ook nog ouwels als hosties. Soms draagt hij er vier missen na elkaar op in de hoop naar de hemel te gaan en er Jezus Christus te vinden. Zijn geloof krijgt mystieke kenmerken, vooral in de extase en de wensen om Jezus te ontmoeten of naar de hemel te kunnen gaan. Elias bevindt zich op die manier veeleer in de leefwereld van de tantes en de orthodoxe geloofsleer. Uiteindelijk gaat hij echter te ver: hij vraagt aan zijn moeder om in zijn kazuifel begraven te worden. Dan is het aan vader Lasalle om zijn zoon uit de orthodoxe sfeer te halen.

Alles wat aan het extreme geloof en de gemimeerde missen herinnert, wordt onder impuls van vader Lasalle verwijderd; het altaar wordt afgebroken, en al de onderdelen ervan verdwijnen. Elias wordt dus door zijn vader teruggefloten omdat hij te ver gegaan is in het belijden van zijn geloof, en het interessante is de manier waarop vader Lasalle dat doet. Elias moet namelijk met hem lopen, springen en in de sneeuw rollen, terwijl oom Augustin hem leert zwemmen. We krijgen hier niet alleen een vaderlijke afwijzing van het doorgedreven geloof van Elias, maar ook een afwijzing die de nadruk legt op het lichaam. Terwijl Elias eerst hoofdzakelijk met geestelijke zaken bezig is, zoals met de Eucharistie, Jezus en de hemel, wordt hij nu verplicht zich op zijn lichaam te richten.

De verschillende reacties op het gedrag van Elias zijn vergelijkbaar met de tegengestelde standpunten in de discussie over Jacques. Enerzijds zijn er de tantes, wier doorgedreven geloof wellicht voor het overdreven geloof van Elias gezorgd heeft. Anderzijds is er vader Lasalle, die als tegengewicht fungeert en zijn zoon terugbrengt naar het niveau van de mensen en het lichaam.

Dat laatste wordt letterlijk door Elias aangegeven in een ander fragment, waarin hij als kind buiten overnacht om zich op zijn bestaan als missionaris voor te bereiden (p. 291–294/p. 426–429). Hij houdt het echter niet lang uit, wordt erg ziek en moet enkele dagen het bed houden. Zijn vader beschouwt zijn schoonfamilie als schuldige in heel het voorval: “De clan van zijn aangetrouwde familie kreeg er de schuld van te dragen dat ik, in mijn slaapjapon, de nacht in het berkenbosje had doorgebracht om me, voorbarig, op mijn latere missionaire roeping te prepareren.” (p. 294/p. 429). De lezer zal dit wellicht aanvaarden als terecht, gezien het doorgedreven geloof van de aangetrouwde familie, die door vader Lasalle dan ook nog eens als een clan beschouwd wordt. Elias zelf relativeert deze stelling van zijn vader onmiddellijk: “Echter lag de schuld geheel bij mij. Mijzelf had ik willen motiveren, met mijzelf in competitie getreden. Mijn religieuze educatie had er wel het hare toe bijgedragen, misschien.” (p. 294/p. 429). Uit het fragment blijkt dat die tegenstelling en strijd tussen vader Lasalle aan de ene, en de tantes aan de andere kant inderdaad aanwezig is. Wel geeft Elias toe dat het niet de fout is van de tantes dat hij het in zijn hoofd gehaald heeft om ’s nachts buiten te overnachten. Dat relativeert hij evenwel weer door te zeggen dat zijn religieuze opvoeding er wellicht wel iets mee te maken heeft. We mogen dus, tenminste voor zover het vertelperspectief van Elias als gezaghebbend kan gelden, geen al té sterke invloed van de tantes veronderstellen, hoewel die invloed er zeker is.

Deze drie passages zijn slechts enkele voorbeelden van een diepere tegenstelling tussen enerzijds de vrouwelijke kant van de familie, en anderzijds de mannelijke kant (vooral vader Lasalle), wat betreft het geloof. Tante Theodora is erg strikt inzake de christelijke opvoeding, zoals Elias zelf aangeeft: “Door middel van supra–religieuze indicaties ben ik opgevoed, alsof ik voor de kloosterlijke ascese, selectief, elitair werd opgeleid. Vanwege mijn tante Theodora werd alles erop gericht om mijn emotionele belevingen te verkillen.” (p. 98/p. 238). Zij is ook degene die hem waarschuwt voor de hel, waar het vuur veel erger brandt dan op aarde (p. 14/p. 156). Het moge duidelijk zijn dat Elias behoorlijk streng opgevoed wordt in de orthodox–christelijke ideologie, ook door zijn moeder. Als hij haar als kind vraagt hoe het komt dat het nervenpatroon van elk blad verschillend is, antwoordt ze dat het net zo is bij de mensen, en ze linkt er nog een christelijke gedachte aan: “méér had men eraan met het raadsel van de oneindige verscheidenheid christelijk vrede te nemen.” (p. 15/p. 157). Op latere leeftijd leest ze nog altijd de christelijke schrijver Lamartine (p. 117/p. 256). Ze gaat met Elias in de Predikherenkerk bidden voor de overleden zondaars en voor de bekering van vader Lasalle, die zijn geloof kwijt is (p. 31/p. 172). Elias’ moeder staat met dit vrome geloof echter niet alleen in de familie; ook tante Henriette en Theodora belijden dit geloof.

Men mag echter niet alleen spreken over de christelijke invloed op Elias, aangezien er ook nog kritische reflecties van Elias’ vader zijn. Zoals al eerder is aangetoond, heeft hij meer aandacht voor de mens en de intermenselijke relatie, wars van geloof, stand en overtuiging, wat perfect geïllustreerd wordt door de spreuk van De Genestet boven zijn schrijftafel: “Strijd mee in onzer dagen strijd; / Maar met uw leven, wandel, werk./ O zeg… niet wat uw mond belijdt; / O zeg… niet van wat naam of kerk / Maar toon van welke geest gij zijt.” (p. 136/p. 274–275). Aanvullend kan men er ook nog op wijzen dat hij niet gelooft in de almachtige bevoegdheid van een wraakzuchtig Opperwezen, en dat hij die gedachte zelfs als barbaars beschouwt (p. 44/p. 185). Volgens vader Lasalle is de mens enkel verantwoordelijk voor zichzelf, want de machtswellustelingen maken het voor zichzelf onmogelijk om gelukkig te zijn (p. 44–45/p. 185–186). En hoe zouden de geraffineerde zielen op aarde in de hel plots een ruwe lichamelijkheid krijgen die voor onverdraaglijke pijnen zorgt (p. 45/p. 186)? Hij beschouwt daarnaast het geloof van de christenen en van de Saracenen als het geloof in hetzelfde Opperwezen (p. 124/p. 263), en hij wordt om al deze gedachten en reflecties door tante Theodora als een zondaar beschouwd (p. 124/p. 263). Deze korte opmerkingen dienen slechts om aan te tonen dat vader Lasalle lijnrecht tegenover de opvattingen van de tantes (en zijn echtgenote) staat. Dat is het grote probleem voor Elias: de keuze tussen het vrome gelovige leven van zijn moeder en tantes en het zondige kritische denken, weliswaar met christelijke idealen, van zijn vader.

Om deze bespreking van de religieuze overtuigingen van Elias’ ouders af te sluiten, is het misschien nuttig om dieper in te gaan op de boeken die zij lezen. Lamartine en Vosmaer kunnen m.i. beschouwd worden als de auteurs die het beste de overtuigingen van respectievelijk Elias’ moeder en vader belichamen. Daarom volgt nu een korte bespreking van Harmonies Poétiques et Religieuses en Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg.

De keuze voor Harmonies Poétiques et Religieuses is ingegeven door een citaat in Gregoria waarin Elias het soort boeken beschrijft waarin tante Henriette en zijn moeder zich verdiepen: “Steeds liggen de Harmonies Religieuses, van Lamartine, in hun bereik. Ze lezen elkander eruit voor. […] Aan zijn gedichten hebben ze zielsverheffende momenten te danken, zoveel meer dan aan de bigotte gebeden die in een stapel kerkboeken verzameld liggen.” (p. 117/p. 256–257). Het werk blijkt dus iets te zeggen over de religieuze visie van tante Henriette en Elias’ moeder.

De ontstaansgeschiedenis van Harmonies Poétiques et Religieuses zegt reeds veel over het werk4De bespreking van de ontstaansgeschiedenis is gebaseerd op de inleiding van Jean des Cognets in: LAMARTINE, ADOLPHE DE, Harmonies Poétiques et Religieuses, Librairie Garnier Frères, Parijs, 1925.. Jean des Cognets vermeldt in de inleiding dat de ongerustheid van Lamartines moeder over zijn christelijk gevoel volledig verdwenen was nadat hij haar delen uit Harmonies gestuurd had. Het werk bestond uit gedichten, ‘harmonies’, met bezinningen over God, zeker in de eerste gedichten. Lamartine kwam echter in een impasse van zijn religieus gevoel terecht als hij vaker ging terugdenken aan zijn jeugd en als hij meer persoonlijke en intieme gedichten begon te schrijven. Toen zijn moeder in 1829 stierf, vond hij weer de inspiratie om rond zijn religieuze gevoelens en de onsterfelijkheid te werken. Het werk bestaat dus uit religieuze gedichten, maar weerspiegelt op hetzelfde moment de problemen die Lamartine gekend heeft bij het schrijven.

Hoe men het ook bekijkt, de gedichten in Harmonies Poétiques et Religieuses hebben vaak het geloof als onderwerp, maar dit geloof wordt vanuit het persoonlijke standpunt van de dichter beschreven. Het werk kan dus niet zonder verpinken in de traditie van traktaten of gebedenboeken geplaatst worden. Het gaat hier namelijk niet om gebeden, maar om gedichten waarin de dichter zijn persoonlijke religieuze gevoel tracht te beschrijven. De aanleiding om een gedicht te schrijven was vaak banaal, het kon te maken hebben met de impressie die het tijdstip, de dag, de plaats, de verjaardag, de herinnering hem gaven, en deze gedichten konden dan vroom of poëtisch zijn5 LAMARTINE, ADOLPHE DE, Harmonies Poétiques et Religieuses, Librairie Garnier Frères, Parijs, 1925, p. 281..

De thematiek van Harmonies Poétiques et Religieuses werpt een ander licht op de religieuze overtuiging van Elias’ moeder en tante Henriette. Als men de vorige stukken over de religieuze discussies in Elias’ jeugd leest, kan men de indruk krijgen dat de vrouwelijke kant van de familie, zoals door Elias zelf aangegeven wordt, erg conservatief, orthodox en bigot is, en dat de basis ervan in de liturgische en kerkelijke traditie ligt. Het werk van Lamartine gaat echter uit van een geloof dat niet op de liturgie, maar op het persoonlijke aanvoelen gebaseerd is. Het maakt er de orthodoxie niet minder om, maar het wordt wel duidelijk dat de officiële kerkelijke teksten en gedachten niet zonder meer overgenomen worden. Er is blijkbaar ook plaats voor het eigen gevoel tegenover God, hoewel dit gevoel al bij al orthodox blijft.

Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg van Jacob Vosmaer wordt enkele keren in Gregoria vermeld (bv. p. 30 en p. 273/p. 171 en p. 408). Het is het boek(je) dat Elias’ vader tijdens de mis leest in plaats van zich in de gebedenboeken te verdiepen: “De eerste jaren van zijn huwelijk, ’s zondags, heeft hij mama ter kerke vergezeld. […] Hij doodde de verloren tijd met lezen in J. Vosmaers Leven en de Wandelingen van Meester Maarten Vroeg, een aardig boekje dat van formaat en binding een fijn kerkboekje had kunnen zijn.” (p. 30/p. 171). Uit de tekst blijkt niet echt dat het werk een substituut zou zijn voor het kerkboek, maar het wordt alleszins gesuggereerd. Daarbij wordt het het boek van Vosmaer nog interessanter als men weet dat het een hoofdstuk over het godsbeeld bevat.

De hoofdfiguur in Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg is Maarten Vroeg, een dorpsbarbier die gevraagd wordt lid te worden van een genootschap, het Departement tot Nut van ’t Algemeen, dat voordrachten houdt over allerhande onderwerpen. Zelf waagt Vroeg zich af en toe aan teksten over verschillende onderwerpen, en een ervan behandelt het geloof. Voor men de tekst zelf bekijkt moet men echter wel beseffen dat de teksten en gedachten van Meester Maarten Vroeg niet bijster hoogstaand zijn; hij is tenslotte een dorpsbarbier.

De eerste overeenkomst met vader Lasalle wordt al duidelijk in de inleiding6 Deze inleiding is geschreven door een vriend van Meester Maarten Vroeg wiens naam niet gegeven wordt. Hij is toevallig in het bezit gekomen van een tekstje van Vroeg over God. tot het hoofdstuk over het geloof, dat ‘Zondagse Overdenkingen’ heet. Vader Lasalle is eerder in dit hoofdstuk al beschreven als iemand met een kritische geest, en dit blijkt parallellen te vertonen met Vroeg: “Men zal nu zeggen, dat mijn vriend niet onder de godvrezenden behoort. Evenwel, hij doet zijn kerkgang, en, wat vele vromen niet doen, hij overdenkt, wat hij daar gehoord heeft; en, terwijl deze, met eenstemmige tronie en saamgevouwen handen, voor het oog zitten te prevelen, maar inderdaad bedenken, hoe zij het meeste geld van hun zaad of van hun boter zullen krijgen, is Maarten, met zijn gewoon gezicht, en al dravende van de ene buurtschap naar de andere, om hier een boer zijn kermisbuilen te verbinden, daar een boerin van het koffiedik te ontlasten, geheel bezig het gehoorde nog eens na te denken.”7 VOSMAER, JACOB, Het Leven en de Wandelingen van Meester Maarten Vroeg, Wereldbibliotheek - Vereniging, Amsterdam en Antwerpen, 1953, p.. 36.. Deze beschrijving vertoont grote overeenkomsten met de beschrijving van vader Lasalle. Hij wil, net als Meester Maarten Vroeg, geen dingen aannemen die niet stroken met zijn gedachtegoed en zijn kritische ingesteldheid.

Het traktaatje van Vroeg vindt zijn oorsprong in een preek van de pastoor, waarin die bewijzen geeft voor het bestaan van een Opperwezen dat gemeenschappelijk is aan alle volkeren. Als hij de kerk verlaat, ziet Vroeg de schaapherder staan, en hij vraagt zich af of ze allebei hetzelfde godsbeeld hebben. Vroeg weigert te aanvaarden dat dit zo is, want “[w]at doet, in zulk een gewichtige zaak, het gevoelen van iemand [de schaapherder] af, wie ik niet eens zou vertrouwen, om mij de weg naar het naaste dorp te wijzen?”8 VOSMAER, JACOB, Het Leven en de Wandelingen van Meester Maarten Vroeg, Wereldbibliotheek - Vereniging, Amsterdam en Antwerpen, 1953, p. 37.. Als hij de herder niet vertrouwt, waarom zou hij dan het godsbeeld aanvaarden van volkeren over de hele wereld? Daaruit concludeert Meester Vroeg dat de mens een vrezend wezen is (en daarom een god uitvindt), en dat hij minder vreest naarmate hij onafhankelijker wordt. Hij verwijst daarbij ook naar de woorden van een vriend, dr. Wakker, die meent dat de maatschappij zichzelf als verheven en onafhankelijk ziet en “de verheven oorzaak van alles alleen als het middel aanziet, om te schitteren en te genieten.”9 VOSMAER, JACOB, Het Leven en de Wandelingen van Meester Maarten Vroeg, Wereldbibliotheek - Vereniging, Amsterdam en Antwerpen, 1953, p. 38.. Als men dit allemaal aanvaardt, dan is het aantal mensen op wie men een beroep kan doen om het bestaan van het Opperwezen te bewijzen, erg klein. Hoe kan men dan zeggen dat dat Opperwezen door alle volkeren aanvaard wordt? Meester Maarten Vroeg zou veel liever zijn eigen godsbeeld aanvaarden dan een beroep te moeten doen op die anderen: “het ding, waarvoor hij [de herder en de andere volkeren] zich buigt, en dat onze geleerden God noemen, gelijkt niets naar het verheven en aanbiddelijk beeld dat in mijn ziel woont; en ik zie dus ook geen reden, aan beiden dezelfde naam te geven, zomin als ik rabarber muskus of muskus rabarber noem.”10 VOSMAER, JACOB, Het Leven en de Wandelingen van Meester Maarten Vroeg, Wereldbibliotheek - Vereniging, Amsterdam en Antwerpen, 1953, pp. 39, zijn cursivering..

Hoewel men Meester Maarten Vroeg niet helemaal kan vergelijken met vader Lasalle, vertoont hun logica toch enige overeenkomsten. Meester Vroeg weigert zomaar te aanvaarden wat door de pastoor gezegd wordt, net zoals vader Lasalle de roeping en de beschrijving van Jacques Sucquet door Weyerman weigert te aanvaarden (cf. supra). Ze denken allebei na over het godsbeeld dat door de meeste mensen aangenomen wordt, en ze hebben allebei hun eigen, persoonlijke visie op het Opperwezen. De resultaten zijn echter verschillend, want vader Lasalle aanvaardt het bestaan van een gemeenschappelijke god voor de moslims en de christenen, terwijl meester Vroeg dat nu net afwijst. De grondtoon is echter dezelfde: laat het kritische denkvermogen primeren op wat andere mensen zeggen, denk na voor je iets aanneemt; ze passen dat principe allebei toe op het geloof.

De overeenkomsten tussen Meester Vroeg en vader Lasalle moeten echter wat genuanceerd worden. Meester Maarten Vroeg is een dorpsbarbier, niet dom maar ook niet bijster intelligent, terwijl vader Lasalle wel intelligent is. Men moet ook rekening houden met het feit dat Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg als parodie op mensen als Meester Maarten gelezen kan worden. De beschrijving van de gedachtegang van Meester Maarten Vroeg is heel verwarrend, net omdat de gedachtegang zelf verwarrend is. Maarten Vroeg gebruikt namelijk een erg doorgedreven, en daarom moeilijke logica. Het blijft echter opmerkelijk dat beide personages zulke gelijkenissen vertonen.