Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

1.2 Het geloof van Elias zelf

Het lijkt opnieuw aangewezen de houding van Elias tegenover religie te bespreken aan de hand van een fragment, om vervolgens zijn geloofsovertuiging gedetailleerder te behandelen aan de hand van verwijzingen naar de tekst. De geselecteerde passage beslaat eigenlijk twee periodes uit het leven van Elias, met name de kostschooltijd en de periode van de verloving. Het fragment draait rond een leraar uit de kostschooltijd van Elias, pater Belcampo, die moet nagaan of Elias nog wel gelovig is. Als dertienjarige is Elias ook al eens met hem in aanvaring gekomen.

“Anno 1913, in de sfeer van het toenmalig bekrompen godsdienstonderricht: gewetensvol had ik het aangedurfd midden in de les, van mijn schoolbank overeind gekomen, in de voorgeschreven eerbiedige houding gaan staan, de armen op mijn borst gekruist, le révérend Père Josué Belcampo tegen te spreken. […] Wellicht om ons jeugdig geweld in toom te houden; om onze ontwakende driften misschien een excellente bliksemafleider te bezorgen, trachtte hij zijn jongens met een foefje om de tuin te leiden, ze kinderachtige nonsens op te dissen. Het bedrog kwam hierop neer: elke snode daad op aarde door ons bedreven: van in het hiernamaals door onze overleden bloedverwanten opgemerkt, werden zij er gruwelijk door beledigd en pijn gedaan, er bij hun mede–zaligen in verlegenheid door gebracht. Om de belhamels onder zijn kwekelingen koest te houden, wetens en willens had pater Belcampo zich aan een grove denkfout schuldig gemaakt. Moedig riskeerde ik dár tegenin te redeneren.
Het in–de–hemel–zijn veronderstelde voor de uitverkorenen het eeuwige, volstrekte geluk. Mijn uiterst vrome mama, hoe had ze na haar overlijden, in de hemel zich gelukkig kunnen voelen indien ze van wat op aarde voorviel alles nog kon weten en beoordelen, – onder meer dat haar echtgenoot, mijn papa, nooit meer mis hoorde, nooit biechtte noch communiceerde, dus zóndig leefde, en ingevolge daarvan eeuwigdurend van haar verwijderd, na zijn dood in het vuur van de hel geworpen zou zijn?
Het effect van mijn redenering liet niet op zich wachten. Met het geweldig geluidsvolume van zijn stem, evenredig aan de omvang van zijn ongemeen fors lichamelijk gestel, dacht onze leraar mijn zacht uitgesproken opmerking alreeds door zijn gebulder jegens mij weerlegd. […]
Toen, de vuurpijl scherp op mijn hoofd gericht, werd er de klap op gegeven: of ik in de aangelegenheden des geloofs de dwaalleer van mijn ongodsdienstige vader aankleefde, hierin op afschuwelijke wijze naar mijn vader aardde? Of ik de christelijke moederliefde van mijn mama voor haar afvallig zoontje verzaakte? […] In het aanschijn van mijn meestal groene, bijgelovige klasgenoten, kreeg ik het verdict van pater Belcampo, over mij uitgesproken, te aanhoren, nl. dat hij voor het zalige heil van mijn ziel niet verder meer in kon staan. ‘Et, maintenant, voici monsieur Lasalle, le profète du diable: il se nourrit par excellence de solitude.’ Onder de zon van satan was ik, dans la saleté du désert, verloren gelopen.–
Thans, zovele jaren later, anno 1933, wederom als twee met het hooi en het strooi van onze rancunes geëmpailleerde leeuwen, onverwachts stonden we tegenover elkaar. […] Jongstleden had ik mij aan een gedichtencyclus over Het Maria–Leven bezondigd, had ik gepoogd het reinste van het reinste te ontwijden. Van het dogma der Onbevlekte Ontvangenis had ik me met atheïstische moedwilligheid, ketters, geen jota aangetrokken. Van de Heilige Maagd Maria, la Mère11 "Mere" in: GILLIAMS, MAURICE, Ik ben Elias. Romans en verhalen. Meulenhoff, Amsterdam, 2000. de Dieu, had ik met burgerlijke nadruk gewoon een zwangere, een in pijn en smart barende vrouw gemaakt. Was ik er, maçonniek, toe overgegaan mét Martin Luther, mét Jean Calvin een duivelspact te sluiten? Wee mij! Het mysterie van Jezus’ Menswording was door mij gedegradeerd tot de geboorte van zwarte Piet, het knechtje van Sinterklaas. Een afschuwelijker wandaad, zoals door mij bedreven, was niet denkbaar. Dapper werd het me aangeraden mijn goddeloos schrijfsel te vernietigen.” (p. 18–21/p. 160–162).

Dit fragment is interessant omdat het de opinie van Elias weergeeft op twee verschillende tijdstippen. Het zegt enerzijds iets over hoe hij in 1913 over de theologische argumenten denkt, en anderzijds iets over hoe hij daar in 1933 op terugkijkt, met daarbij nog de discussie over zijn godlasterende gedichten.

Laten we beginnen met de manier waarop Elias terugkijkt op het conflict van 1913. Het godsdienstonderricht wordt als bekrompen beschreven; de reden daarvoor vindt men even verder. Het theologisch argument van pater Belcampo dient immers niet tot een betere ontwikkeling van de leerlingen of een beter inzicht in de christelijke geloofsleer en ethiek. Het argument van de gekwetste overledenen wordt “wellicht” gebruikt om de leerlingen op het rechte pad te houden en hen, met andere woorden, aan de leiband te houden. Dit wordt door Elias als uiterst negatief ervaren. Om het argument van Belcampo te beschrijven, worden woorden gebruikt als “bekrompen”, “foefje”, “om de tuin leiden”, “kinderachtige nonsens” en “bedrog”. De reactie van Elias in 1913 wordt in 1933 beschreven met woorden als “gewetensvol”, “aangedurfd”, “met een eerbiedige houding”, “tegen te spreken”, en de puberteit van de scholieren wordt beschreven als “jeugdig geweld” en “ontwakende driften”. Het gaat hier dus om een negatieve waardetoekenning als het over pater Belcampo gaat, en een positieve waardetoekenning als het gaat om de jongeren en Elias. De opstand en de tegenredenering van Elias tegenover Belcampo en zijn argumenten zijn dus iets goeds. Men kan hieruit afleiden dat Elias, terugkijkend op het incident, zijn reactie nog altijd als correct beschouwt, en meer nog, dat hij mensen als Belcampo en het onderricht zoals het in 1913 bestaat (en in de jaren dertig wellicht ook nog aanwezig is), nog altijd als negatief beschouwt.

Als men het godsdienstige aanvoelen van Elias baseert op de vorige paragraaf, met name de invloed van de ouders, zou men verwachten dat hij respect heeft voor een geestelijke; hij is immers sinds zijn jeugd in het christelijke geloof opgevoed. Denken we daarbij maar aan de discussie rond Jacques Sucquet, waarbij diens geloof door de tantes als het enige belangrijke ervaren wordt. Elias’ vader zwijgt dan om tante Henriette niet te kwetsen, hoewel haar redenering in zijn ogen fout is. Van zo een respect is hier geen sprake. In plaats van te zwijgen en zijn kritiek voor zich te houden, komt Elias in opstand tegen het argument van Belcampo. Hij zet hem met een logische redenering schaakmat. Belangrijk is dat Elias in zijn antwoord niet ontkent dat de hemel of de hel bestaan; hij discussieert slechts over de definitie van de hemel. Voor hem is het een plaats waar de overledenen volstrekt gelukkig leven. Zijn antwoord is dus nog steeds geïntegreerd in een christelijk kader, maar het is tevens gebaseerd op het logische denken en op zijn geweten. Hier zien we eigenlijk een samensmelting van het christelijke geloof van zijn tantes en het logische, kritische denken van zijn vader.

Elias neemt het Belcampo niet zozeer kwalijk dat hij een vreemd en incorrect argument gebruikt, maar wel wat hij doet als reactie op de tegenwerping van Elias. In plaats van een degelijk antwoord te geven, wordt Elias aangepakt door middel van zijn vader, en aldus wordt de christelijke kant van Elias’ tegenwerping genegeerd. Hij wordt verweten een afvallige te zijn. Uiteindelijk kan Belcampo niet meer voor zijn zielenheil instaan. Elias wordt over dezelfde kam geschoren als zijn vader, die “ongodsdienstig” is.

Van het eerste deel van dit fragment kunnen we dus onthouden dat Elias in 1933 geen spijt heeft van wat hij gedaan heeft in 1913, en dat zijn reactie zelfs nog uiterst positief ervaren wordt, dit in tegenstelling tot het godsdienstonderricht van die tijd en pater Belcampo zelf. Voorts is zijn reactie een synthese van de tegengestelde opvattingen van zijn tantes en zijn vader.

In 1933 komt Elias opnieuw in aanvaring met pater Belcampo rond dezelfde problematiek. Elias heeft Het Maria–Leven geschreven, waarin hij zijn godsdienstige gevoelens combineert met de ‘menselijke’ ethiek van zijn vader. Maria is niet alleen de koele moeder van Jezus, maar ook een menselijke vrouw die lijdt. De dichtbundel is dus een combinatie van het menselijke en het goddelijke, en net dat wordt door Belcampo niet aanvaard. De betekenis van de dichtbundel gaat echter nog verder, want Maria wordt er vervangen door Elias’ moeder. Voor Maria kan men slechts eerbied en ontzag verwachten; zij is de moeder van Jezus en staat daarom ook boven de mens verheven. Elias houdt hiermee echter absoluut geen rekening. Zijn moeder verdient evenveel respect, en daarom is de bundel voor Belcampo zo ketters: de Heilige Maagd wordt vervangen door een concreet persoon, de moeder van de dichter, die evenveel achting verdient. Vanuit het standpunt van de gelovige is dit onaanvaardbaar, maar vanuit het standpunt van Elias is het geheel normaal. Het feit dat Elias de dichtbundel schrijft en uitgeeft, is tekenend voor zijn religieus gevoel. Voor een diepgelovige zou het ondenkbaar zulke gedichten te schrijven, maar Elias doet het toch. Zijn religieus gevoel lijkt dus erg verzwakt te zijn, zeker in de ogen van Belcampo, die hem op dezelfde lijn plaatst als Luther en Calvijn.

Nu het duidelijk is dat de godsdienstvisie in dit fragment tweemaal uit de combinatie van de visies uit Elias’ omgeving bestaat, moet men zich afvragen of dit motief ook elders in de roman terug te vinden is, al dan niet met nuanceringen of verschillen.

Het lijkt er inderdaad op dat de oudere Elias in niets meer lijkt op de jonge dweepzieke priester die achter een geïmproviseerd altaar de Heilige Mis staat op te dragen. Het bewijs hiervoor vindt men in een passage waar de religieuze overtuiging van Elias letterlijk weergegeven wordt. Het fragment is net vóór het huwelijk gesitueerd, als Elias ’s ochtends nog even naar de mis gaat “[o]pdat mijne moeder mijn aanstaande geluk door de Voorzienigheid gegarandeerd zou gevoelen” (p. 119/p. 258). Tijdens het bijwonen van de mis denkt hij na over zijn religieuze opvattingen, die nietmeer zo hevig blijken te zijn als in zijn kindertijd: “Mijn religieus gevoel: ik ben het wel niet kwijtgeraakt, doch mijn kinderlijke onderwerping aan de kerkse tierelantijnen is in de loop van mijn mannenjaren deerlijk getaand. Vrij aan het denken, naar het voorbeeld van mijn papa, is mijn gelovig–zijn een meer humane kant uitgegaan.” (p. 119/p. 258). Hij heeft zelfs volledig gebroken met de kerkelijke rituelen, want “[w]aarom er niet rondweg voor uitgekomen, dat de trillingen der kerkse mystiek, die eertijds van een bijgewoond misoffer op mijn gemoed vermochten uit te gaan, nu geen vat meer op mij hebben? Innerlijk gevoel ik me thans niet meer besnaard om zulke trillingen op te vangen. Zoals mijn vader mijne moeder naar de zondagmis vergezelde, aan haar zijde met wereldse lectuur er de tijd verdreef: zal ik, tijdens de mis aan de zijde van Gregoria of te zitten of te staan, authentieke, humane verzen aan het lezen zijn?” (p. 125/p. 264). Uit deze citaten blijkt dat het religieus gevoel van Elias meer verminderd is dan we op basis van het vorige fragment vermoedden. Er is geen sprake meer van een samensmelting van de overtuigingen van de vader en de moeder, aangezien Elias tot tweemaal toe zijn vader gebruikt als voorbeeld voor zijn veranderde overtuigingen. Het kritische denkvermogen heeft het gehaald van de kinderlijke naïviteit wat betreft rituelen en symbolen. Zijn religieus gevoel is nog niet verdwenen, maar het heeft wel aan enthousiasme ingeboet.

Toch gaat deze conclusie wat te ver, aangezien er meer enthousiasme en godsdienstige verbeeldingskracht in Elias aanwezig zijn dan de voorgaande fragmenten laten vermoeden. Zijn religieus gevoel is inderdaad opgeschoven, maar dit wil niet zeggen dat hij niet langer in een humane Jezus of een Jezus als mens gelooft. Hij leest namelijk nog steeds het werk van mystieke auteurs, die veel verbeeldingskracht gebruiken en vergen van de lezer: “Eerst zoveel later, een jongeling, van mijn godsdienstige névroze bekomen, ben ik erin geslaagd Jezus tot levensgezel te krijgen, door middel van Jan van Ruusbroecs meditatiën, door Zuster Hadewijchs gedichten en visioenen, door de Matthaeus–Passion van Johann Sebastian Bach. Vanaf díe openbaring was het niet meer denkbaar elkander te kunnen missen, te verlaten.” (p. 121/p. 260). Hoe kunnen de verschillende fragmenten, en de opinies die hieruit voortkomen, met elkaar verzoend worden? Enerzijds wordt toegegeven aan het kritische denken van de vader, maar anderzijds en tegelijkertijd gelooft Elias in een mystieke Jezus die zijn vriend is, die hij niet kan missen, en die blijkbaar Elias ook niet kan missen.

Die schijnbaar tegenstrijdige gevoelens kunnen naast elkaar voorkomen als we aannemen dat het kritische denken gericht is tegen het uiterlijke vertoon en de bigotte moraal van de Kerk, zoals die bijvoorbeeld uitgedrukt worden in de figuur van pater Belcampo. Elias staat dan inderdaad kritisch tegenover de Kerk, maar niet tegenover zijn religieus gevoel. In de mystiek draait het uiteindelijk rond het persoonlijke religieuze gevoel, dat door een Hadewijch of een Ruusbroec verwoord wordt in beelden omdat ze geen andere manier vinden om hun gevoel te beschrijven. De Jezus waar Elias in gelooft, een vriend en levensgezel, is niet de Jezus die aanbeden wordt in de mis; het is de Jezus die hij ziet vanuit zijn religieus gevoel, zoals bij Hadewijch en Ruusbroec.

Het verband tussen Bach en Christus is zo vreemd nog niet, aangezien het door Gilliams zelf in zijn Kunst der Fuga beschreven staat: “Heel wat theologische raffinementen bewijzen nog niet dat Jezus, onder het purperen kalotje van de exegeet, werd liefgehad. Radicaal door Johann Sebastian Bach, in de <<Matthäus Passion>>, wordt zijn liefde voor Jezus bewezen. Bach kan mij doen geloven dat Jezus, de goddelijke Mens, werkelijk bestààn heeft.”12 GILLIAMS, MAURICE, Vita Brevis. Orion, Brugge, 1977, p. 117.. Blijkbaar hebben we hier de kern van de zaak geraakt: Elias gelooft niet meer in een God opgeroepen in missen en hosties, maar wel in een God die opgeroepen wordt door de kunst, i.c. Bach.

Moeten we genoegen nemen met de hypothese dat de Matthaeus–Passie, en vooral de mystieke schrijvers, niet meer zijn dan een middel om Jezus te begrijpen en te voelen, of zit er meer achter de belangstelling voor mystiek? Is het mogelijk dat Elias in de mystici meer ziet dan middelen tot het begrijpen van Jezus, bijvoorbeeld een soort spiegelbeeld of ‘medelijder’? Als we positief op die vraag antwoorden, kunnen we voor de mystiek een tweede niveau onderscheiden. Op dat niveau identificeert Elias zich met de mystica Hadewijch, in wier geschriften hij zich dagelijks verdiept (p. 56/p. 197). Het gaat hier niet om geloof, maar wel om het omgaan met gevoelens. Ze hebben allebei een nauwelijks te omschrijven gevoel dat hen doet lijden; dit gegeven is ook in de tekst terug te vinden. Net na de huwelijksceremonie bedenkt Elias dat hij nu getrouwd is, en het huwelijk wordt beschreven met beelden die pijn lijken uit te drukken. Elias zoekt dan steun bij Hadewijch, want hij wil net zoals zij de pijn heilig maken, het negatieve naar het positieve converteren: “Reeds hebben we de brandende, de gewijde takkenbossen van een reinigend vuur betreden; hebben we onze eerste schreden met blote voeten midden in de vlammen gezet. Het mag er flink pijn bij doen. Maar dát soort van pijn heeft de mystica Hadewijch als een heilzame ervaring bezongen. Waarom, door de mystiek van de huwelijksliefde, zouden we niet geholpen worden om de ervaring van ónze pijn te heiligen?” (p. 156/p. 294). Op het einde van de roman gebruikt Elias opnieuw Hadewijch om zijn wens tot eenheidsbeleving met Gregoria te beschrijven (p. 360/p. 493). Terwijl Hadewijch haar religieus gevoel, dat vaak gepaard gaat met lichamelijke pijn,probeert te omschrijven, tracht Elias zijn liefdesgevoel en zijn pijn te beschrijven. Ze doen allebei hetzelfde, alleen doet Hadewijch het in een geestelijke, en Elias in een seculiere wereld. De mystiek van Hadewijch zorgt dus niet alleen voor een voorstelling van Christus, maar ook voor een manier om met gevoelens en pijn om te gaan.