Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

NAWOORD

De drie motieven die onderzocht werden in deze eindverhandeling, kunnen een antwoord geven op twee vragen: ‘Wat gaat er fout in de relatie van Elias met Gregoria?’ en ‘Waarom huwt Elias met Gregoria?’. We zullen nu proberen deze vragen te beantwoorden.

Wat gaat er fout in de relatie van Elias met Gregoria? Vooreerst moet gewezen worden op de hysterische neurose; Gregoria blijkt psychologische en lichamelijke symptomen te vertonen die de neurose bevestigen. We kunnen in dit verband verwijzen naar de sterke moederbinding, de epileptische aanvallen, de dwangmatige masturbatie en de afwijzing van Elias om religieuze (drog)redenen. De stelling van Gregoria dat ze liever niet getrouwd was, is waarschijnlijk ontstaan door de verwachting van een ideaal object; Elias is particulier en eindig, terwijl ze vermoedelijk droomt van een perfecte en oneindige man, die alle dromen zal vervullen. De seksuele afwijzing en de weigering om het huwelijk te consummeren zijn wellicht veroorzaakt door een slechte beleving van het Oedipuscomplex, en door de eindigheid en de particulariteit van Elias. Daardoor is geslachtsgemeenschap mogelijk bevuilend voor Gregoria, en vlucht ze in de masturbatie.

Die sterke moederbinding van Gregoria blijkt ook een grote rol te spelen. Mevrouw Balthazar trekt haar oudste dochter voor tegenover de rest van de familie en Elias. Dit zorgt er wellicht voor dat de huwelijksproblemen niet opgelost raken; mevrouw Balthazar kiest immers voortdurend partij voor Gregoria. Ze verschaft ook argumenten voor de seksuele problemen van Gregoria, en ze dringt aan op een seksloos huwelijk. Elias vermoedt bovendien dat mevrouw Balthazar hem, met de hulp van Wom., aan Gregoria gekoppeld heeft. Deze stelling is echter niet absoluut zeker; de lezer kan de woorden van Elias niet altijd als waar aannemen door het personagegebonden vertelperspectief. De bijna despotische bemoeizucht van mevrouw Balthazar lijkt dus een mogelijke oorzaak te zijn van de huwelijksproblemen. Het is overigens niet zo dat mevrouw Balthazar per se een slechte en bemoeizieke schoonmoeder is; ze wordt enkel zo beschreven door Elias.

We mogen evenwel niet alleen Gregoria vermelden; ook Elias heeft zijn fouten. Hij lijkt eveneens hysterisch te zijn, wat vooral uitgedrukt wordt door de onzekerheid, door de jeugdverhalen, en door het belang dat hij hecht aan uiterlijke vormelijkheden. Elias heeft daarnaast het droombeeld van ‘Die Wahrheit’ voor ogen; dat heeft wellicht de status van ideaal object, waardoor de relatie met Gregoria gedoemd is om te mislukken. Geslachtsgemeenschap met Gregoria moet immers leiden tot de exaltatie van Elias’ gevoelens; seks is slechts een manier om de hogere betrachtingen van ‘Die Wahrheit’ te bereiken. Als Gregoria frigide blijkt te zijn, kan hij zijn droom niet bereiken, en vlucht hij voortdurend weg in de droomwereld van de ideale toekomst en van het landhuis uit zijn jeugd. We hebben, met andere woorden, waarschijnlijk te maken met een huwelijk tussen twee hysterische personages.

Tegenover de doortastendheid van mevrouw Balthazar staat de passiviteit van Elias. Ondanks de beperkingen die hem opgelegd worden, komt hij niet in opstand tegen mevrouw Balthazar; als hij de verloving opzegt, komt hij al snel terug op zijn beslissing, en hij laat zich makkelijk overtuigen door zijn schoonmoeder. De schuld ligt dus niet alleen bij mevrouw Balthazar en Gregoria.

De huwelijksproblemen zijn ten slotte niet alleen veroorzaakt door de betrokken personen; Elias en Gregoria blijken ook uit twee verschillende werelden te komen. Zij komt uit een burgerlijk, rijk en diepgelovig milieu. Elias is opgegroeid in een aristocratische en diepgelovige omgeving, maar uiteindelijk zal hij veeleer neigen naar zijn vrijdenkende vader, vooral wat betreft religie. Deze botsing tussen twee werelden komt vooral tot uiting in de religieuze tegenstellingen.

Waarom huwt Elias met Gregoria? Het is voor de lezer immers al snel duidelijk dat er zich een diepe kloof bevindt tussen het paar. We moeten allereerst wijzen op de invloed van ‘Die Wahrheit’; het is niet alleen een ideaalbeeld, ze heeft ook invloed op het leven en het gedrag van Elias. Het is vanuit dit droombeeld dat hij zich koel gedraagt tegenover leeftijdgenotes; de kracht van ‘Die Wahrheit’ is mogelijk zo groot dat Elias blijft dromen van een vervulling ervan in de figuur van Gregoria. Als hij dan geconfronteerd wordt met een hindernis en met de mogelijkheid dat zijn verloofde niet ‘Die Wahrheit’ is, vlucht hij weg in zijn verbeelding. Enerzijds keert hij dan terug naar het verleden (het landhuis en de jeugd); anderzijds plaatst hij de vervulling van zijn dromen in de toekomst. Een gedwarsboomde droom zal volgens Elias uiteindelijk toch uitkomen, als men er maar blijkt in geloven. Mogelijk speelt de collusie ook een rol; vanuit zijn hysterische neurose kiest Elias voor de hysterische Gregoria.

Een laatste reden voor het huwelijk is wellicht de overeenkomst tussen Silversande en het landgoed uit Elias’ jeugd. Mogelijk zorgt de bucolische sfeer rond Gregoria’s woonplaats voor jeugdherinneringen; de ruimte kan bijgevolg een cruciale rol spelen. De verschillen tussen beide plaatsen worden wel door Elias gezien, maar hij blijft zich verdromen aan verdwalende wandelingen met Gregoria, en aan verwijzingen naar de wereld van Conscience. De verbeelding blijkt ook hier opnieuw een grote rol te spelen.

De verbanden tussen de motieven zijn echter het meest opvallende gegeven in deze eindverhandeling. Zo kan men niet over ‘Die Wahrheit’ spreken zonder te verwijzen naar de christelijke mythe van de zuiverheid en de reinheid; de brandende schim van Isabelle–Françoise is van geen betekenis zonder de context van de bigotte moraal van Elias’ tantes en moeder; de problemen rond de consummatie hangen samen met de religieuze tegenstellingen en de verbeelding. We zouden nog veel voorbeelden kunnen opnoemen waaruit de onderlinge samenhang van de motieven blijkt; het betreft blijkbaar een kluwen van gelieerde tekstelementen.

Het was gedurende het schrijven van deze eindverhandeling moeilijk om me aan de vooropgestelde onderwerpen te houden; Gregoria bevat veel interessante elementen die verder onderzoek verdienen. Vooral de intertekstualiteit speelt een fascinerende rol.

Gregoria staat bol van de intertekstuele verwijzingen; volgens mijn telling zijn er ongeveer 267 bijna letterlijke referenties te vinden. Elias verwijst naar de muziek (Beethoven, Mozart, August de Coninck, Bach enz.), de literatuur (Hölderlin, Shakespeare, Bredero, Novalis, Conscience e.a.), de filosofie (Kant, Nietzsche, Schopenhauer, Hegel e.a.), de beeldende kunsten (Michelangelo, Rembrandt, Turner, Henri de Braekeleer e.a.), de religie (Ruusbroec, Hadewijch e.a.), en naar zijn eigen werk (Het Maria–leven, Elias en het gevecht met de nachtegalen, Christophorus en het kind, en het gedicht ‘Herfst’). Het kan erg interessant en nuttig zijn om al deze verwijzingen te bundelen en te situeren, om op die manier een karakterisering te geven van de leefwereld van Elias. Een dankbaar hulpmiddel hiervoor is het onlangs verschenen werk De idee Maurice Gilliams. Een schrijver over schilders.21 TODTS, HERWIG; DE BUCK, ISOLDE, De idee Maurice Gilliams. Een schrijver over schilders. Uitgeverij Pandora, Antwerpen, 2000..

Shakespeares Hamlet verdient echter extra aandacht. Men vindt verwijzingen naar dit toneelstuk in de titel, het motto en de epiloog; we hebben daarnaast reeds gewezen op de gelijkenis van het slot van de roman met de spookverschijning van Hamlets dode vader, en op de mogelijke verwijzing naar de haan als de afsluiter van het spookuur. We kunnen echter nog andere passages vinden die gelijkenissen met Hamlet vertonen. Zo opent mevrouw Balthazar op p. 236/p. 372 het brelokje dat rond Elias’ hals hangt; in het sieraad zijn de portretten van Gregoria en Elias’ moeder tegenover elkaar geplaatst. Men zou dit kunnen zien als een tegenstelling van het slechte tegenover het goede. In Hamlet vergelijkt de protagonist in het bijzijn van zijn moeder de portretten van zijn dode vader en incestueuze, misdadige oom; de eerste wordt gezien als een goede god, de andere als een duivelse sater (Hamlet, III, IV, 53–88). Het motief van Elias als rattendoder (bv. p. 68, 167/p. 208–209, 305) lijkt overeenkomsten te vertonen met de dood van Polonius (Hamlet, III, IV, 20–23). Men zou tenslotte kunnen wijzen op de mogelijkheid dat personages in Hamlet (Hamlet, Ophelia, de koningin, Polonius, Laertes, en Rosencrantz en Guildenstern) overeenkomsten vertonen met personages in Gregoria (respectievelijk Elias, Gregoria, Elias’ moeder, mevrouw Balthazar, Vincentia en Wom.). Verder onderzoek zal echter de precieze verbanden tussen de twee werken moeten blootleggen.

Hopelijk kan deze eindverhandeling bijdragen tot een beter begrip van Gregoria en Maurice Gilliams. Ze is uiteindelijk – en hopelijk – slechts een beginpunt voor verder onderzoek van deze enigmatische roman en schrijver.