2.2 De bemoeizucht van mevrouw Balthazar
Gregoria blijkt dus een behoorlijk sterke band met haar moeder te hebben, en we kunnen deze band ook psychoanalytisch duiden. Mevrouw Balthazar lijkt zich echter met het huwelijk en de verloving te bemoeien, vooral wat betreft de onthouding van Gregoria.
In de vorige paragrafen hebben we al een paar keer gewezen op de mogelijkheid dat Gregoria frigide is, wat al dan niet samenhangt met haar hysterische neurose. Een van de sociaal ‘aanvaardbare’ uitvluchten om geen geslachtsgemeenschap te hebben, is de belofte aan een biechtvader om een tijd in onthouding te leven. Tijdens het verblijf in de Ardennen, als Vincentia en mevrouw Balthazar reeds aangekomen zijn, neemt deze laatste Elias even apart om met hem te praten:
“Dan, zonder er doekjes om te winden, krijg ik een geheim aan mij prijsgegeven, dat de moeilijkheden in mijn huwelijk aanbelangt: ‘Met toestemming van haar biechtvader mag Gregoria in onthouding met mij leven.’ Allerminst heb ik me dááraan verwacht, en het is niet eens geloofwaardig. Is het vanwege mama Balthazar een verzonnen uitvlucht om mijn zogenaamde christelijke gehoorzaamheid, mijn onderwerping aan een priesterlijke beslissing op de proef te stellen? Zijn er mij onbekende omstandigheden waar de onthouding voorlopig verkieselijk door wordt? Gregoria was liever niet getrouwd. Door schoonmama, opeens zonder uitstel, werd er op een huwelijk voor haar dochter aangestuurd. Waarom, achteraf, wordt er bij mij op aangedrongen het schaduwloos leventje van Gregoria, door de natuurlijke bijslaap met een mannelijk wezen, toch maar liefst niet te vergallen? Is het Gregoria’s mama erom te doen geweest bescherming voor haar kind te zoeken zodra de ouders aan Gregoria zullen ontvallen zijn?” (p. 310/p. 444).
Elias wordt tijdens de huwelijksnachten geconfronteerd met de onwil van Gregoria om het huwelijk te consummeren. Nu gebruikt mevrouw Balthazar plots een argument dat de onthouding steunt, en misschien kunnen we hier veronderstellen dat ze alles weet van de huwelijksproblemen. Mogelijk werd alles haar verteld tijdens de telefoongesprekken (p. 185, 276–277/p. 322–323, 411–412), en tijdens het gesprek nadat ze aangekomen is in de Ardennen (p. 281 e.v./p. 416 e.v.). Het is misschien al vreemd dat ze weet van de seksuele problemen, maar het is nog vreemder dat ze deelneemt aan de discussie, en een argument geeft voor de onthouding van Gregoria. Het argument zelf is voor Elias, en wellicht ook voor de lezer, niet echt geloofwaardig; het kan inderdaad vragen oproepen. Het keert overigens nog terug. Als Elias vertelt over de seksuele moeilijkheden, zegt hij dat Gregoria het volgende argument gebruikt: “Zogenaamd is Gregoria gedwongen zich aan een godvruchtige gelofte te houden, nl. toen we nog verloofd waren, in een bedevaartsoord zou ze zich ertoe verbonden hebben geruime tijd haar huwelijksnachten kuis, in reinheid door te brengen.” (p. 341/p. 474). Hetzelfde argument keert hier dus terug, maar dit keer wordt het geplaatst in de context van een bedevaart, en misschien kunnen we uit de verschillen tussen de twee versies afleiden dat de argumenten gelogen zijn.
Elias vraagt zich af wat de bedoeling is van het argument. Misschien moet het zijn religieus gevoel testen, en we zouden dit kunnen koppelen aan het gesprek met pater Belcampo (p. 17–21/p. 158–163, zie Hoofdstuk II). Elias kan tevens te maken hebben met omstandigheden die hij niet kent, en dan kunnen we verwijzen naar de hysterische neurose. De frigiditeit van Gregoria hangt mogelijk samen met de hysterie, en dit kan m.i. moeilijk aan de aandacht van mevrouw Balthazar ontsnapt zijn. Misschien waren er al vroegere, afgewezen minnaars; men kan als moeder ook moeilijk naast de toevallen van Gregoria kijken. Het is dus mogelijk dat mevrouw Balthazar weet dat Gregoria frigide is, en dat ze er alles aan doet om haar dochter in onthouding te laten leven.
Elias zegt vervolgens dat mevrouw Balthazar plots op een huwelijk aangedrongen heeft. Als we op zoek gaan naar de mogelijke redenen, komen we uit bij twee mogelijkheden. Enerzijds kan ze dit gedaan hebben omdat Gregoria niet meer wil trouwen, zoals ook in het fragment aangegeven is. Door een snel huwelijk kan haar dochter niet meer op haar stappen terugkeren. Anderzijds is het mogelijk dat mevrouw Balthazar verwachtte dat Elias de verloving zou verbreken, zoals hij al eerder gedaan had. Het huwelijk met Elias laat haar daarnaast mogelijk toe invloed uit te oefenen op de gehuwden, zoals ze in dit fragment doet door een argument te verschaffen voor de onthouding.
Uiteindelijk denkt Elias zelfs dat hij niet als echtgenoot, maar als voogd van Gregoria moet optreden. Deze gedachte vinden we nog verscheidene keren terug. Nadat Elias voor de tweede keer verteld heeft over de ontmoeting met mevrouw Balthazar in de tearoom, vermoedt hij immers een valstrik: “Het had er kunnen op gelijken, dat ze Gregoria aan mij per se kwijt wilde.” (p. 289/p. 423). Even later gaat hij zelfs nog verder en stelt hij zich de volgende vraag: “Is het in mijn voorbestemming gelegen te moeten optreden als een soort van bewaarengel voor Gregoria?” (p. 289/p. 424). Als hij met Vincentia in Heist een kroeg opzoekt, stelt hij zelfs expliciet dat het huwelijk een valstrik is: “Naderhand drong het tot me door: het werd erom gedaan mijn persoonlijkheid te fnuiken, er mij op voor te bereiden dat alle komende dingen, na ruggespraak met mama Balthazar, door Gregoria beoordeeld, beslist zouden worden.” (p. 336/p. 469). Als hij de eerste ontmoetingen met Gregoria beschrijft, veronderstelt Elias zelfs een onderlinge afspraak van mevrouw Balthazar met zijn vriend Wom. om hem aan Gregoria te koppelen. (p. 58/p. 199). Elias’ vermoeden dat het huwelijk in werkelijkheid een valstrik is, hangt wellicht samen met de vragen rond het bespoedigen van het huwelijk, en rond de frigiditeit van Gregoria.
De invloed van mevrouw Balthazar komt misschien nog het meest naar voren in de ontmoeting in de tearoom, die tweemaal door Elias verhaald wordt. Hij heeft haar een brief geschreven waarin hij de verloving verbreekt. Ze spreken af in een tearoom voor een gesprek:
“Om te beginnen werd ik bedankt voor de bewezen attentie: ik had mijn ongelukstijding privé aan háár gericht. Moest die in handen van Gregoria zijn gekomen: wie weet… (doch een nadere conclusie liet zij er niet op volgen). Haar redenering was gefundeerd: iedere verloving, moest ik weten, heeft af en toe minder aantrekkelijke momenten; iedere partner gevoelt zich al eens verongelijkt. Onder het effect van een allerminzaamste tirade dacht mevrouw Balthazar alles tussen Gregoria en mij vlug opnieuw in zijn plooi effen te strijken: mijn zogenaamd juveniel egoïsme was overhaastig een verkeerde kant uitgegaan.
Op een tegenbetoog was ik hoegenaamd niet voorbereid, ofschoon ik mij in een vracht gevoelsmotieven had voorzien vooraleer mijn brief te schrijven. […] Half ernstig, half jokkend werd ik op een fluistertoon toegesproken. Op mijn rechter bovenbeen was een zware hand komen rusten. Spoedig werden alle fraaiigheden daargelaten. Betreffende mijn preutse naïeve zwaartillendheid kreeg ik een intiem doorwarmd verwijt te verduren. Het was de eerste keer dat mijn voornaam, Elias, over haar lippen kwam. Tegelijkertijd werd ik gedwongen recht in haar ogen te zien, als een schuldige knaap waarvan het kattekwaad bij verrassing aan het licht is gekomen. Die ogen waren gitzwart, zoals ik ze nooit zo zwart gezien had, als van een volbloed zigeunerin, met geglinster van zilver. Ik had me nooit zo ellendig zwak en kleintjes gevoeld. Waar had ik de plotselinge genegenheid van mevrouw Balthazar aan te danken, als mijn hand door haar kortgevingerde hand werd vastgehouden? Vanwege Gregoria had ik nooit zo’n zinnelijk genegenheid ondervonden.
Toen werd er maar dadelijk met de deur in huis gevallen: dus, ik weigerde te trouwen? Die ongelukkige, door mij gemiste processiezondag was een kinderachtige lullificatie in het luchtledige, van geen tel. Verkoos ik dan, voortaan, de fossilatie van het celibaat boven de fleurige wasdom van het huwelijk te ondergaan? In mijn later leven zouden momenten van mannelijke nood aanbreken. Er mocht vooruitziende gekeken worden: om mijn natuurlijke plezieren te voldoen in een bazaar van de erotiek was ik te zedig, veel te schuw, geen joyeus fuifnummer; een boekenwurm die beaat zit uit te drogen. Ik was op mijn ongemak bij vrouwen die om verleiding smeken. Lag het in mijn bedoeling als een vroegtijdig ontmande vrijgezel traagzaam, zonloos weg te kwijnen, zoals een van die uitgediende, verdorde heertjes die men de stedelijke boulevards op een neer ziet kuieren, onder de kastanjebomen, onder de platanen, altijd gewapend met een overbodige paraplu?” (p. 88–89/p. 227–229).
De passage gaat nog verder, en het vervolg moet misschien samengevat worden. Elias wordt bang van mevrouw Balthazar, en hij stelt zich vragen bij haar gedrag. Uiteindelijk stelt ze dat iedereen de eerste liefde tracht terug te vinden in de latere liefdes. Ze beschrijft haar eerste liefde, en Elias vraagt zich af of hij de vervanger van haar eerste liefde moet worden.
We moeten misschien eerst naar de verwijten aan het adres van Elias kijken. Mevrouw Balthazar verwijt hem immers “juveniel egoïsme” en “preutse, naïeve zwaartillendheid”; het missen van de processie (p. 82–83/p. 222–223, zie Hoofdstuk II) is een “kinderachtige lullificatie in het luchtledige”; Elias is “te zedig, veel te schuw, geen joyeus fuifnummer; een boekenwurm die beaat zit uit drogen”. Mevrouw Balthazar confronteert Elias hier met zichzelf, met zijn zedige gedachten (zie Hoofdstuk II) en zijn stijve manieren (zie Hoofdstuk III). Het verwijt dat Elias last heeft van egoïsme, is overigens niet nieuw. Elias zegt het volgende over de aanmaningen van Wom. om zich te verloven: “Naar zijn zeggen gedroeg ik me zoals een egocentrische genieter van egoïstische emoties; verinnigde ik mijzelf om exclusief van mijn egoïsme te genieten.” (p. 59/p. 199). Waarschijnlijk wordt in beide gevallen verwezen naar Elias’ visie op de liefde. Hij heeft immers het ideaalbeeld van ‘Die Wahrheit’ in gedachten, waardoor hij zich koel houdt tegenover vrouwen (p. 74/p. 214, zie Hoofdstuk III). Het discours van mevrouw Balthazar is eigenlijk zo dom nog niet. Elias heeft de verloving immers opgezegd op grond van de problemen met Gregoria, maar op die problemen wordt niet dieper ingegaan. In plaats van een antwoord te geven op de vragen rond het gedrag van Gregoria, legt mevrouw Balthazar de nadruk op het gedrag van Elias. Ze belicht zijn fouten, waardoor het lijkt alsof de problemen in de verloving zijn schuld zijn. Daarnaast dreigt mevrouw Balthazar met levenslang celibaat, zoals bij de ontmande vrijgezellen, die in steden rondwandelen. Bovendien is hij er de man niet toe om zijn bevrediging te zoeken in bordelen; daarom is het huwelijk een manier om bevrediging te vinden. Het is ironisch dat Elias nu net in het huwelijk geen bevrediging vindt door de frigiditeit van Gregoria. In de eerste alinea dreigt mevrouw Balthazar tevens met het wegkwijnen van Gregoria als ze te weten komt dat de verloving verbroken is.
Het beeld van de statige en afstandelijke schoonmoeder wordt hier verlaten; mevrouw Balthazar lijkt zelfs handtastelijk te worden. Ze legt haar hand op zijn been, neemt zijn hand vast, en Elias weet helemaal niet wat hij moet doen. Voor hem is ze een zigeunerin, die er blijkbaar in slaagt om hem met haar ogen te verleiden of te hypnotiseren. Deze plotse gedaanteverandering van mevrouw Balthazar is inderdaad vreemd, en het is nog vreemder dat ze de genegenheid toont die Elias nooit van Gregoria ondervonden heeft. Het is net alsof ze hem voor zich wil winnen. Elias vraagt zich op het einde van de passage ook af of hij de vervanger van haar eerste liefde moet worden. We moeten hier echter aan toevoegen dat de ontboezemingen en handtastelijkheden van mevrouw Balthazar door Elias als dusdanig ervaren worden. Het is voor de lezer niet duidelijk of haar gedrag werkelijk zo schandalig is.
De bedoeling van mevrouw Balthazar ligt voor de hand. Elias is een mogelijke echtgenoot voor haar dochter, en wellicht wil ze hem door het gesprek weer lijmen. Deze passage kan dus gezien worden in de context van een valstrik, meer nog, we vinden een extra argument. Op het einde van de passage zegt Elias namelijk: “Ik ging ermee akkoord mevrouw Balthazar te beloven ons tête–à–tête voor Gregoria geheim te houden.” (p. 91/p. 231). Tijdens het eerste bezoek aan Gregoria na het gesprek in de tearoom zegt hij echter: “Ze [Gregoria] is ervoor opgesprongen van de bank en ze steekt er een gekromde, kijvende wijsvinger bij op om mij aan het verstand te brengen, dat we vast en zeker bij haar ouders zullen inwonen. Heeft mama Balthazar, bij ons tête–à–tête, er niet op aangedrongen?” (p. 102/p. 241). Elias heeft beloofd om niets over het gesprek te zeggen, maar Gregoria blijkt er toch van te weten. Dit zou kunnen wijzen op de valstrik, die gespannen is in samenspraak met mevrouw Balthazar. Later zegt hij echter dat Vincentia en Gregoria niets lijken af te weten van de ontmoeting: “Doch geen van hen beiden schenen ze van mijn tête–à–tête met mama Balthazar, in de tearoom, iets af te weten.” (p. 319/p. 453). Het blijft bijgevolg onduidelijk of Gregoria iets van de ontmoeting weet.
De tweede beschrijving van het tearoomgesprek moet gesitueerd worden tijdens de huwelijksreis. Bij de aankomst van mevrouw Balthazar en Vincentia in de Ardennen denkt Elias terug aan de ontmoeting in de tearoom. Hij beschrijft eerst hoe het gedrag van mevrouw Balthazar tijdens het gesprek verschilt van haar normaal gedrag, en hij gaat dan dieper in op wat er gezegd wordt en wat er gebeurt:
“Afwezig, liet ik me alles maar zeggen. Mijn voornemen om Gregoria te verlaten werd met redenen en drogredenen naar de maan geargumenteerd. Aan mijn oor geïnsinueerd: waarom was er in mijn gemoed gal gedistilleerd wegens terloopse, nietige dingen? Toegegeven, het was een mij toegestuurd verwijt waar de mama van Gregoria gelijk kon mee hebben. Ze bleek te merken, dat ik tegen haar aantijging niet opgewassen was. Juist hierom, zoveel dringender en gevat, werd een allegaartje van concluderende bewijzen door mevrouw Balthazar aangevoerd, onder meer dat een breuk met Gregoria voor mijn geweten een levenslange ramp zou betekenen, – indien Gregoria er ging om kwijnen. En met opgeschroefde, al te nadrukkelijke ernst, zogenaamd om te voorkomen dat er in mijn eigen toekomst misère van kwam, werd haar persoonlijke jeugdervaring me tot voorbeeld gestrekt: een misgelopen eerste liefde wil men nadien in een tweede liefde terugwinnen, waarin men zo goed als nooit, par la force du destin, kan gelukken.
Ik zat er maar bij te zitten.
Wellicht heeft mevrouw Balthazar gedacht dat ik, onder de indruk van haar ondervindingrijk verleden, op mijn besluit was teruggekomen. Er scheen een zware steen van haar hart afgerold. Opgemonterd, trivaal [sic], alsof ze, eveneens par la force du destin, van haar pralend operatoilet ontdaan op een doodgewone keukenstoel naast me was gezeten met schoongemaakte soepgroenten op haar schoot, kreeg ik met een knaleffect van haar te verstaan: dat ik me niet langer zo braafjes ouderwets mocht gedragen, op mijn leeftijd geen bourgeoise, akelige vormelijkheden meer mocht aankleven. Ze repte zich om mijn minderwaardig ikje onderdanig naar haar hand te zetten. Kameraadschappelijk werd ik in mijn arm geknepen. Wederkerig, van mij had ze dezelfde vrijpostigheid verlangd. Handtastelijk zou er een eedverbond mee gesloten worden waar verdere misverstanden onmogelijk door werden. Waarom liet ik die gelegenheid voorbijgaan? Waarom bleef ik er zo stroef bij zitten? Door niet te kunnen afblijven van van mij dacht de mama van Gregoria haar sentimentaliteit te idealiseren.” (p. 287/p. 421–422).
We zien hier ongeveer dezelfde elementen als in de vorige passage. Elias wordt opnieuw verweten, al hebben de beledigingen hier veeleer betrekking op zijn gedrag. Zo zegt mevrouw Balthazar dat Elias zich niet zo “braafjes ouderwets” mag gedragen, en dat hij moet stoppen met de “bourgeoise, akelige vormelijkheden”; in zijn gemoed is “gal gedistilleerd wegens terloopse, nietige dingen”. De problemen in de verloving worden opnieuw geminimaliseerd, en de fouten lijken opnieuw bij Elias gelegd te worden. Mevrouw Balthazar probeert hem blijkbaar te overtuigen met verscheidene argumenten, en we vinden opnieuw een dreigement: als de verloving verbroken wordt, zal Elias zich schuldig voelen door de wegkwijnende Gregoria. De lezer beseft wellicht dat Gregoria niet zal wegkwijnen, integendeel, maar blijkbaar wil mevrouw Balthazar Elias een zwakke, emotionele Gregoria inprenten. Het verhaal van de eerste liefde wordt hier in de context van de argumenten tegen het beëindigen van de verloving geplaatst. Wellicht bedoelt mevrouw Balthazar, net zoals in het vorige fragment, dat Gregoria zijn eerste liefde is, en dat hij het zichzelf niet zal vergeven als hij haar verlaat. Elias zelf denkt bij de eerste liefde echter terug aan het meisje van de rondedans, waardoor het argument van mevrouw Balthazar aan kracht inboet. Elias is in elk geval onder de indruk van zijn schoonmoeder, en hij bevindt zich naar eigen zeggen in een minderwaardige positie.
De vergelijking met een zigeunerin is hier veranderd in de vergelijking met een huismoeder. Terwijl mevrouw Balthazar zich vaak nogal afstandelijk gedraagt, is ze hier net een gewone, alledaagse vrouw. De handtastelijkheden, de hand op het been van Elias en de handdruk zijn hier veranderd in kneepjes in de arm. Elias reageert echter niet op deze handtastelijkheden, hoewel ze volgens hem bedoeld zijn om een eedverbond te sluiten.
In de vorige passage heeft Elias benadrukt dat de woorden van mevrouw Balthazar geen invloed op hem hebben. Hij heeft reeds vóór het gesprek beslist om de verloving te verbreken. In deze passage zegt hij over het tearoomgesprek: “Het voornemen om mijn verloving met Gregoria te verbreken is in ’t water gevallen.” (p. 287–288/p. 422). We zouden hieruit kunnen afleiden dat het gesprek wél invloed heeft op Elias. De twee passages lijken dus te verschillen. De verwijten, handtastelijkheden en argumenten worden verschillend ingevuld, terwijl het gesprek Elias lijkt te beïnvloeden in de tweede passage. Deze verschillen zijn mogelijk ontstaan door de twee verschillende momenten van vertellen. In de eerste passage bevindt Elias zich op de dag voor zijn huwelijk; wellicht hoopt hij nog steeds dat alles in orde zal komen. In de tweede passage heeft hij al verscheidene desastreuze en conflictueuze nachten achter de rug, en mogelijk wil hij het schuldgevoel omtrent het huwelijk afschuiven op mevrouw Balthazar. Het zou dan haar fout zijn dat het huwelijk toch doorgegaan is, aangezien zij Elias heeft weten te overtuigen.
De verschillen tussen de twee passages plaatsen ons voor een probleem. Het is opnieuw duidelijk geworden dat de verteller niet volledig geloofwaardig is. Net zoals bij het motief van het winkelspel, worden we geconfronteerd met verschillen. De verteller, Elias, lijkt bepaalde zaken naar believen in te vullen, en misschien hangt die invulling af van het moment waarop hij spreekt. We kunnen Elias echter niet helemaal afschrijven, aangezien de teneur van de fragmenten dezelfde is. Elias vertelt min of meer dezelfde dingen, al heeft zijn geloofwaardigheid hier een flinke deuk gekregen.
- Home
- Thesis
Maurice Gilliams