Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

2. Mevrouw Balthazar

2.1 Een sterke moederbinding

Gregoria’s moeder lijkt haar dochter te beschermen op verscheidene gebieden. Zo mag Gregoria niet te veel wandelen, en neemt mevrouw Balthazar expliciet standpunten in wat betreft de onthouding binnen het huwelijk, waarvoor ze zelfs religieuze argumenten gebruikt.

Het eerste voorbeeld van inmenging is te vinden op p. 81/p. 221. Elias twijfelt over de verloving met Gregoria; in die context vermeldt hij ook het verbod om buiten te gaan wandelen:

“Voor een lustig uitstapje door bos en hei scheen het steeds te winderig, of te fris, of te regenachtig, naar het oordeel van mama; en de mulle zandgrond van de smalle wegjes was voor Gregoria te vermoeiend om te bewandelen. Zoals indertijd de dweepzieke Hendrik Conscience op zijn eindeloze voettochten door Kempenland gaarne verdwaalde, droomde ik ervan met Gregoria verloren te lopen.” (p. 81–82/p. 221–222).

Elias wijst hier expliciet op het verbod van mevrouw Balthazar, en vermeldt dat dit tegen zijn dromen of verwachtingen is. De verwijzing naar Conscience is in dat opzicht niet onbelangrijk; zowel de Kempen van Conscience als de natuur in het algemeen spelen een belangrijke rol in de wereld van Elias (zie Hoofdstuk III). Het verbod om met zijn verloofde te gaan wandelen, is voor hem waarschijnlijk bijna niet te verdragen, gezien het belang dat hij hecht aan de natuur.

De bescherming van Gregoria wordt hier ingekleed in het argument dat de weersomstandigheden en de wandelingen niet goed zijn voor haar. Het is mogelijk dat het inderdaad geen goed idee is om urenlang op de heide rond te dwalen, gezien de toevallen die Gregoria zou kunnen krijgen. De verloofden worden echter ook binnenshuis voortdurend gecontroleerd, tot grote ergernis van Elias:

“TELKENS WANNEER IK op het punt stond, als verloofde, met Gregoria eens innig samen te zijn: iedere keer, als door haar afgunstige intuïtie voorgelicht, is mevrouw Balthazar in de leefkamer verschenen, als het ware gelijk een fantoom doorheen de stenen kamerwand naar binnengezweefd om over ons gedrag te waken.” (p. 23/p. 164–165).

We moeten vooreerst wijzen op de manier waarop Elias de omgang met Gregoria beschrijft. Hij gebruikt hiervoor de uitdrukking “innig samenzijn”, die een dubbele betekenis heeft. Enerzijds kan hij verwijzen naar het gezelschap van Gregoria, waarbij ze gewoon met elkaar zitten te praten. Anderzijds kan Elias refereren aan het seksuele, naar het samenzijn als coïtus. We moeten bij dit fragment m.i. vooral aan de tweede mogelijkheid denken; onmiddellijk erna verwijst Elias immers naar een voorval waarbij hij Gregoria omarmt, en mevrouw Balthazar onverwacht binnenkomt. Gregoria smeekt (volgens Elias) om vergiffenis, terwijl hij aan de tafel gaat zitten.

De beschrijving van mevrouw Balthazar is niet echt positief in dit fragment. Elias zegt dat ze niet toevallig binnenkomt, maar dat ze hen komt storen, alsof ze door haar afgunstige intuïtie geleid wordt. Ze krijgt hier dus de status aangemeten van moedwillige stoorzender; meer nog, ze is jaloers. Het is niet echt duidelijk op wie mevrouw Balthazar hier jaloers zou zijn. Is ze jaloers op Elias omdat hij haar dochter omhelst, en omdat ze dat niet kan verdragen? Of is ze jaloers op Gregoria omdat die omarmd wordt door Elias, met andere woorden, omdat mevrouw Balthazar door Elias omhelsd wil worden? De negatieve beschrijving van mevrouw Balthazar gaat echter nog verder. Ze is net een fantoom dat door de muur komt zweven; ze wordt dus gesitueerd in de sfeer van de sprookjes en de griezelverhalen, wat niet echt positief is.

Het voor Elias enerverende gedrag van mevrouw Balthazar is misschien niet zo vreemd. De roman is immers gesitueerd in de jaren dertig. Het was toen volkomen normaal dat een chaperon(ne) de verloofden of verliefden begeleidde om erop toe te zien dat ze niets fout deden. In het geval van Elias is dat misschien niet helemaal onterecht; zijn gebruik van de uitdrukking “samenzijn” is nu eenmaal dubbelzinnig. Het verbod om buiten wandelingen te maken moet wellicht ook in deze context gezien worden. Mevrouw Balthazar kan en mag niet aanvaarden dat Gregoria met haar verloofde in de natuur gaat wandelen, want er zou wel eens ‘iets’ kunnen gebeuren.

Deze conclusie wordt schijnbaar tegengesproken door een ander fragment. Elias en Gregoria zijn net aangekomen in het Ardense pension, en ze worden te woord gestaan door de hôtelière:

“Dadelijk is het voelbaar dat ze [mevrouw Balthazar] aan de wildvreemde exploitante van het pension haar directieven heeft opgelegd, namelijk hoe wíj ons tijdens onze wittebroodsweken te gedragen hebben. Lange, pittoreske wandelingen over berg en dal zijn af te raden. We worden ervoor gewaarschuwd, alsof we ze uit de eigen mond van mama Balthazar te horen krijgen. We zullen er tijdens ons verblijf beter aan doen, aan de achterzijde van het hotel, in de tuin, in een vouwstoel van dag tot dag te luieren etcetera.” (p. 190/p. 327).

Hoewel Elias en Gregoria nu getrouwd zijn, en de vrees voor premaritale geslachtsgemeenschap logischerwijs geweken is, wordt het hen nog steeds verboden om lange wandelingen te maken. Het argument van de mogelijke ontmaagding is hier van geen belang. We moeten waarschijnlijk terugkeren naar de slechte gezondheidstoestand van Gregoria. Als ze een labiele gezondheid heeft, is het inderdaad geen goed idee om lange wandelingen te maken. Het wordt tegelijk evenwel duidelijk dat mevrouw Balthazar behoorlijk veel druk uitoefent op de gehuwden.

De bescherming van Gregoria door haar moeder komt ook tot uiting in een jeugdverhaal van Gregoria. Daarin wordt verteld hoe Gregoria en Vincentia vroeger winkeltje speelden, en hoe Gregoria bij ruzie steeds in het gelijk gesteld werd:

“Een kind, had Gregoria met haar zusje winkeltje gespeeld, op een miniatuurweegschaaltje steenhard gedroogde bonen en erwten, rijstkorrels en krenten gewogen die, tegen betaling met hemdsknopen, aan Vincentia werden gegriefd. Van verkopen en kopen is het tussen hen beiden, naar Amandina het vertelde, dikwijls op ruzie uitgelopen. Altijd, door mama, werd Gregoria in het gelijk gesteld, had Vincentia zich aan een onrechtvaardige beslissing te onderwerpen.” (p. 47/p. 188).

In dit fragment wordt de bescherming van Gregoria door haar moeder opnieuw voor het voetlicht gebracht. Elias suggereert hier dat Gregoria steeds vals speelde, en dat haar moeder haar steeds gelijk gaf. We mogen de verhaalde gebeurtenissen echter alweer niet zonder voorbehoud als waar aannemen. Het verhaal komt namelijk van Amandina, de dienstmeid, en wordt aan de lezer gepresenteerd via Elias, die mogelijk dingen verzwijgt. Het is dus niet noodzakelijk waar dat Gregoria altijd gelijk krijgt van haar moeder. De bescherming heeft in elk geval geen betrekking op het huwelijk, maar vindt plaats binnen de familie Balthazar. Gregoria wordt ook voorgetrokken binnen het gezin, en niet alleen tegenover Elias.

Men moet trouwens ook even kijken naar het woord “gegriefd”, dat ‘kwetsen’ betekent, en dat in deze context niet echt op zijn plaats is. De uitdrukking ‘grieven aan’ bestaat m.i. al helemaal niet, en mogelijk wordt hier verwezen naar het werkwoord ‘gerieven’, dat ‘bedienen’ betekent. Men kan echter personen gerieven, maar geen goederen. Het woord wordt hier m.i. dus niet helemaal correct gebruikt.

De scepsis tegenover de bevoordeling van Gregoria in dit fragment wordt bijgetreden door een tweede fragment, waarin het winkelmotief ook voorkomt:

“Twee kleine meisjes, hebben Gregoria en Vincentia somwijlen een halve namiddag doorgebracht met winkeltje te spelen; Vincentia werd gedwongen steeds de rol van cliënte te vervullen. Een aantal koffiebonen of krenten, gedroogde erwten of bonen, werden op een speelgoedweegschaaltje gewogen. Gregoria geriefde de koopwaar; Vincentia, minder oplettend, betaalde met klerenknopen. Eén grote mantelknoop was gelijkwaardig aan vijf kleine hemdsknopen. En Amandina vertelde er mij plezierig van: telkens de rekening werd opgemaakt, bij de manipulatie van het wisselgeld, is er ruzie van gekomen. Gregoria munt uit in het hoofdrekenen. Vincentia meende zich door haar zus gefopt en bleef halsstarrig ontoegankelijk voor de door Gregoria aangerekende schuld. Vincentia schopte kabaal, rende de leefkamer uit, liep een stoel omver. Uiterst kalm gebleven, zorgzaam, zuinigjes werd het speelgoed door Gregoria opgeruimd, in kartonnen dozen gedaan, naar de salon gedragen, naast de piano op de grond neergezet… tot een volgende keer, wanneer het Vincentia door mama Balthazar bevolen werd met Gregoria winkeltje te spelen.” (p. 265–266/p. 400–401).

Dit fragment vertoont enkele verschillen ten opzichte van de vorige passage. Zo is het veronderstelde vals spelen hier volledig verdwenen; Gregoria is gewoon beter in hoofdrekenen dan Vincentia, deze laatste denkt steeds dat ze bedrogen wordt, en ze is ook minder oplettend. Dit hangt mogelijk samen met het verschil tussen de zussen, dat ook voorkomt in de passage waarin de laden vergeleken worden. De lade van Gregoria blijkt heel net te zijn, terwijl de lade van Vincentia erg rommelig is (p. 99–100/p. 239). Gregoria blijkt ook daar netter of oplettender te zijn dan Vincentia.

De beslissende macht van mevrouw Balthazar heeft hier geen betrekking op de rekening, maar op het spel zelf. Ze zegt niet wie gelijk heeft, maar dat het spel gespeeld moet worden met Gregoria als verkoopster en Vincentia als klant. Ze stelt Gregoria hier dus niet in het gelijk, maar ze beveelt wel dat er een spel gespeeld moet worden waarin Gregoria nu eenmaal beter is.

De gebeurtenissen komen hier opnieuw uit de tweede hand, aangezien ze door Amandina aan Elias verteld zijn. We moeten wijzen op de twijfelachtige status van Elias als verteller; de verschillen tussen de fragmenten zijn misschien niet erg groot, maar ze zijn er wel. Hij stelt dezelfde gebeurtenis op twee verschillende manieren voor, wat problematisch is. De bevoordeling van Gregoria is echter een constante, waardoor we de bescherming door haar moeder kunnen aannemen.

Het laatste motief in deze paragraaf betreft de telefoongesprekken tijdens de huwelijksreis. Gregoria telefoneert immers tot tweemaal toe naar haar moeder; Elias wordt uit deze gesprekken geweerd. Het volgende fragment moet gesitueerd worden op de dag na het huwelijk, als Elias en Gregoria op het punt staan de trein te nemen naar de Ardennen:

“Gregoria ben ik in een ommezien van mijn zijde kwijtgeraakt. Achter het glazen deurpaneel van een openbare telefooncel heb ik haar de spreekhoorn zien opnemen, aan het oor brengen. Veraf, opnieuw krijg ik Gregoria in ’t zicht. Au fond is het de gewoonste zaak ter wereld dat Gregoria met haar mama in voeling treedt, het afgesproken telefoontje geeft. Doch zo schielijk, zo zonder boe of ba, waarom is ze van me heen gesneld, tussendoor een stroom van afgeladen, op hun destinatie gearriveerde passagiers? Tussen twee op de grond neergezette handkoffers, een afgedankte telefoonpaal, sta ik voor Piet Snot. […] Is Gregoria het onaangename verloop van de voorbije nacht omstandig aan mama Balthazar aan het oververtellen? Evengoed had ik mijn schoonmama door de telefoon mijn morgenlijke hommage willen brengen, doch ik word niet in de telefooncabine binnengelaten. Aangenomen: het gesprek tussen moeder en dochter is privé. Het wordt me door de heftig naar mij gesticulerende Gregoria te verstaan gegeven. De telefoon is een citadel met schietgaten; alle vuurmonden staan op mij gericht. Ontzettend lang duurt het telefoneren, en reeds enkele keren moest er opnieuw munt in de telefoonautomaat gestoken worden om de communicatie te hervatten.

Eindelijk, fel opgewonden, alsof uit een kerker losgebroken, stuift Gregoria me voorbij, rechttoe naar de trein waarmee onze speelreis zal worden mee [sic] aangevangen.” (p. 185/p. 322–323).

Het eerste wat opvalt, is dat Elias het niet zo erg vindt dat Gregoria met haar moeder telefoneert. Hij beschouwt het als normaal dat een meisje met haar moeder praat, want zij is in de meeste gevallen haar vertrouwenspersoon. Hij vindt het wel erg dat Gregoria hem achterlaat zonder iets te zeggen, en hem “voor Piet Snot” laat staan. Dat is een nogal kleinzerige reactie van Elias, die desalniettemin goed te begrijpen is. Ze zijn immers net getrouwd, en ze staan op het punt om aan hun huwelijksreis te beginnen. Als je verloofde je dan plots laat staan om te telefoneren, kan dit inderdaad kwetsend zijn. Het is echter niet absoluut zeker dat Gregoria achter zijn rug weggesneld is. Elias zegt immers eerst dat hij haar plots kwijtgeraakt is, maar onmiddellijk erna zegt hij dat hij haar in een telefooncel de hoorn heeft zien opnemen. Dan blijkt hij plots een eindje van haar af te staan, en ziet hij haar nog steeds in de telefooncel. Hoe kan Elias Gregoria plots kwijtgeraakt zijn als hij haar de hoorn heeft zien opnemen? Enerzijds is het mogelijk dat het hier gaat om een fout in de tekst, maar men moet altijd opletten als men dit beweert; het is een gemakkelijkheidsoplossing. Anderzijds zou het kunnen dat Elias wat verward is, en dat hij niet goed weet wat eerst kwam. Misschien is hij haar eerst kwijtgeraakt, heeft hij vervolgens rondgekeken, en heeft hij haar tenslotte de hoorn zien vastnemen. Deze mogelijkheid is echter ook niet echt geloofwaardig. De derde oplossing lijkt me nog de meest adequate. Elias beschrijft net voor dit fragment hoe ze in het station aankomen, hoe hij de stoom en de smeerolie ruikt, en hoe alles triest en onfris is. Uiteindelijk begint hij zelfs bedenkingen te maken: “Met honderd–en–meer mensen hier te zamen, zij die arriveren en zij die gaan vertrekken, is ieder individu an sich een naamloze solitair, op gang naar zijn dagelijkse, kleurloze bezigheid of hoopvol op weg naar zijn illusoire geluk.” (p. 185/p. 322). We zien hier, met andere woorden, hoe Elias wegdroomt. Misschien heeft hij in deze waas van dromen wel gezien dat Gregoria naar de telefooncel gaat, maar heeft hij het niet beseft, omdat hij elders zit met zijn gedachten. Het zou kunnen dat hij plots merkt dat Gregoria niet meer naast hem loopt, en dat hij zich vervolgens herinnert hoe ze van hem weggestapt is. Deze laatste mogelijkheid is evenmin geloofwaardig, maar ze is m.i. de meest plausibele.

Een tweede aspect is de houding van Elias tegenover zijn schoonmoeder. Hij zegt immers niet dat hij mevrouw Balthazar wil groeten, hij wil haar zijn “morgenlijk hommage” brengen, wat een wel heel vreemde uitdrukking is. De vraag is waarom Elias haar een eerbetoon wil brengen? Is ze zo belangrijk? Misschien heeft dit te maken met de ietwat stijve manieren van Elias, en wil hij haar inderdaad gewoon groeten. Men gebruikt het woord ‘hommage’ tevens vaak in de context van de liefde. Een (eenduidige) interpretatie is niet echt te geven, maar het blijft in elk geval een voorbeeld van vreemd woordgebruik.

Een laatste aspect heeft te maken met de manier waarop Elias omgaat met het verbod om in de telefooncel te komen. We kunnen ons eerst misschien afvragen, net zoals Elias dat doet, waarom Gregoria zoveel tijd nodig heeft. Blijkbaar heeft ze met haar moeder afgesproken om eens te telefoneren, maar ze hebben pas de vorige avond afscheid genomen. Waarover kan Gregoria dan zo lang vertellen? We moeten hier misschien de suggestie van Elias volgen, met name dat Gregoria de desastreuze gebeurtenissen van de eerste huwelijksnacht aan het vertellen is. We kunnen dit wellicht koppelen aan haar onwil om met Elias te huwen omdat hij niet het ideale object is. Mevrouw Balthazar zegt mogelijk dat ze met Elias op huwelijksreis moet gaan, en dat het te laat is om op haar stappen terug te keren. Dat zou meteen de heftige reactie van Gregoria verklaren als ze uit de telefooncel komt (“fel opgewonden […] stuift Gregoria me voorbij”), en waarom Elias niet in de telefooncel mag. Dit alles zou kunnen samenhangen met de vergelijking van de telefooncel met een citadel, waarvan alle vuurmonden op Elias gericht staan. Als Gregoria inderdaad aan het vertellen is over de eerste huwelijksnacht, lijkt het aannemelijk dat Elias er niet al te best uitkomt. Elias zou daarnaast gewoon kunnen verwijzen naar de afwerende bewegingen van Gregoria, die hem, net zoals de vuurmonden, duidelijk maken dat hij de telefooncel (de citadel) niet binnen mag.

In het volgende fragment zien we ongeveer hetzelfde. Elias en Gregoria bevinden zich al enkele dagen in de Ardennen als mevrouw Balthazar telefoneert:

“We spoeden ons voort, van elkaar een staplengte gescheiden. Ik volg haar op de voet. Het telefoontoestel is bereikt, wanneer Gregoria haar mama au bout du fil hoort praten, ben ik er gans niet bij nodig. Veel verlies ik er niet aan. Mama Balthazar, met haar onsamenhangend discours om zich te doen gelden, is un fiacre vide waarvan de voorgespannen paarden er gewend aan zijn op hol te slaan. Als Gregoria me zenuwachtig van zich wégwuift, valt het wellicht nog mee voor mij. Met mijn rug tegen de kille muur van de huisgang aangeleund, tuur ik, met een vleugje verbeelding, neer in een beloken, nevelig reservaat waarin Gregoria merkelijk veel meer te luisteren dan te spreken krijgt. Haar wenkbrauwen opgetrokken, haar voorhoofd gerimpeld, met uitpuilende ogen lijkt ze door haar schrik verstijfd. Haar zo te zien, om wat er in haar omgaat, ben ik bezorgd. Doch er valt me niet wat anders te doen dan, discreet, de conversatie tussen moeder en kind te respecteren. Immers het is evident, dat de zich veraf bevindende mama de onlangs gehuwde dochter dingen te vertellen heeft die hen beiden intiem aanbelangen, waar ze ieder voor mij een geheim wensen van te maken. Eens daarmee in het reine, als ze van zeggen zijn uitgepraat, kom ik wel aan de beurt om met een kort ‘goedenavond, mama’ mijn behuwdmoeder Balthazar als dusdanig te erkennen.
Stilzwijgend, met een instemmende, schichtige hoofdknik – waar aan het andere draadeinde van de telefoon, te Silversande, door de gesprekspartner geen teken van op te vangen is –, heeft Gregoria een laatste gezegde van haar mama beaamd.” (p. 276–277/p. 411–412).

We zien hier dezelfde elementen als in het vorige fragment. Het betreft opnieuw een gesprek met mevrouw Balthazar, Gregoria lijkt niet tevreden te zijn over wat haar moeder zegt, Elias wordt afgeweerd, en hij komt er opnieuw niet toe zijn groeten aan mevrouw Balthazar over te brengen. Hij gebruikt overigens hetzelfde argument als in het vorige fragment, met name dat hij niet mag tussenkomen in een gesprek tussen moeder en dochter. Elias is dit keer echter blij dat hij niet aan de telefoon mag komen; hij kijkt er blijkbaar niet naar uit om met mevrouw Balthazar te praten.

We kunnen ons opnieuw afvragen waarom Gregoria zo ontsteld is tijdens en na het gesprek met haar moeder. Men kan teruggrijpen naar de verklaring bij het vorige fragment, met name dat mevrouw Balthazar haar dochter verplicht om tegen haar zin met Elias getrouwd te blijven. Net als in het vorige fragment kan het hier slechts om een hypothese gaan, en staat de verklaring zeker niet vast.

Het aspect van de bescherming door de moeder komt in de twee laatste fragmenten niet echt tot uiting, maar we kunnen toch spreken van een sterke band tussen moeder en dochter, net zoals in de andere fragmenten. Elias staat buiten deze innige relatie, en hij weet ook niet wat ze tegen elkaar zeggen. De sterke moederbinding van Gregoria kan, zoals in de vorige paragraaf aangegeven is, een gevolg zijn van de hysterische neurose. Het is mogelijk dat Gregoria het Oedipuscomplex niet of onvolledig meegemaakt heeft, en dat daardoor hun relatie niet vertroebeld is.

We hebben in deze paragraaf al enkele keren gewezen op de invloed van mevrouw Balthazar; in de volgende paragraaf gaan we dat motief wat beter bekijken.