Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

1.2 Een psychoanalytische lezing van Gregoria

Tijdens de huwelijksnachten vinden we hetzelfde motief, al is Elias’ wens tot lichamelijkheid daar vervangen door een verlangen naar seksualiteit. Hij probeert opnieuw toenadering te zoeken tot Gregoria, en zij tracht hem weer te ontwijken. We gaan nu op zoek naar een verklaring voor Gregoria’s gedrag aan de hand van enkele fragmenten. Als leidraad in deze zoektocht zal gebruik gemaakt worden van een tekst van J. Corveleyn3 VERGOTE, A.; MOYAERT, P. (ed.), Psychoanalyse. De mens en zijn lotgevallen. DNB/Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1988, p. 52-90., waarin hij de hysterie en de dwangneurose beschrijft. Een eerste fragment geeft een huwelijksnacht weer tijdens de huwelijksreis in het Ardense pension:

“Twee voortreffelijk gehuwde individuen: waarom zouden de driften van ons lichaam geen sacramentele driften kunnen heten? Een paar sprongen van mijnentwege, en ik ben Gregoria genaderd. Ik houd haar in mijn armen geklemd. Met haar samen wil ik de vaste grond verlaten, elders met haar zijn, er de verheffende kracht van onze humaniteit beleven. Al de rest, het onbelangrijke, het lelijke verdwijnt. Maar forser dan ik op haar tegenstand ben voorbereid, wringt Gregoria zich uit mijn armen los. Ik word in een vinger gebeten. Gelijk van een furie uit de alle mogelijk makende Oudheid ontvang ik spuug op mijn gezicht. Door haar woede in bescherming genomen, poogt ze zich veilig te stellen, haar virginiteit te bewaren. […] Ze slaat de handen voor haar gezicht. Ze is er op een stoel gaan bij zitten. En het kreunt smartelijk uit haar óp, dat ze beter níet was getrouwd. Vanwaar dat onbezonnen, naïef zelfverwijt gekomen is, – wellicht om mij op afstand te houden? […] Ik probeer de solitaire levenskramp van Gregoria te sussen. Tederlijk, behulpzaam ofschoon ongeoefend, onhandig probeer ik haar uit te kleden. Het kraagje van haar blouse is al losgemaakt. Andere knoopjes zullen volgen. Dan, in het onvermijdelijke schijnbaar aan het berusten, gekalmeerd, met snikken in haar stem, smeekt ze: of ik me wil omkeren, een paar stappen van haar verwijderd, terwijl ze haar slaapjapon aantrekt. Ik keer mij om, zoals gister. Intieme zaken laten zich niet bij hun naam noemen. Er zijn omwegen der taal, er zijn sprekende gebaren nodig om zich aan malkander te openbaren. Dát moment schijnt aan te breken.
Braaf, ieder in ons nachtgoed, niet al te dicht bijeen om het Gregoria in haar nerveuze toestand niet lastig te maken, op een afgehuurd ledikant, met vreemde lakens en dekens toegedekt languit liggen we te rusten naast elkaar. De vensterdeur is half geopend mogen blijven. […]
Mijn rechterhand, geleidelijk aan, durft naar Gregoria’s linkerhand te glijden. Voor de rest onbewegelijk, mijn ogen toe, begin ik azuren vergezichten te ontwaren. Gregoria heeft haar hand niet teruggetrokken. Haar hand is de mijne, haar hand blijft mijn hand. De verbijstering der nederlagen is overgegaan.” (p. 217–219/p. 354–355).

Bij het eerste fragment veronderstelden we dat de confrontatie rond de maagdelijkheid aanwezig was op een tweede niveau. In dit fragment lijkt de botsing echter expliciet rond de maagdelijkheid te draaien. Elias zegt immers dat Gregoria zo heftig reageert om haar maagdelijkheid te bewaren. De geslachtsgemeenschap heeft voor Elias een sacramentale waarde, die gekoppeld kan worden aan de consummatie van het kerkelijke huwelijk. Daarnaast wil hij zich, door middel van de lichamelijkheid, opnieuw één voelen met Gregoria. Na haar heftige reactie wil hij haar uitkleden, maar zij vraagt hem zich om te keren terwijl ze haar slaapkleed aantrekt. Vreemd genoeg wordt deze tweede afwijzing door Elias ervaren als een overwinning. Hij verwacht immers dat door sprekende gebaren een nieuw moment zal aanbreken, en dat de problemen opgelost zullen raken. Deze verwachting lijkt voorbarig te zijn. Uiteindelijk is hij al tevreden met een gewone aanraking, en niet met het ervaren van de totale lichamelijkheid of met geslachtsgemeenschap. In dit fragment lijkt Elias echter opnieuw nogal dwingend te handelen. Hij stapt niet op zijn vrouw af, hij nadert haar met sprongen. Elias omhelst haar niet, hij houdt haar in zijn armen geklemd, wat opnieuw een zekere gewelddadigheid veronderstelt.

De dwingende handelwijze verklaart misschien de heftige reactie van Gregoria, met name het bijten en het spuwen. Ze slaagt erin te ontkomen aan de klemmende omarming van Elias, wat we zouden kunnen zien als een ontsnapping aan de gewelddadigheid, of althans aan het dwingende. We kunnen voorts wijzen op de haar wens om maagd te blijven; dit wordt nog aannemelijker door de mogelijke betekenis van het inktstel in het eerste fragment. Deze twee argumenten zijn echter niet genoeg om de heftige reactie van Gregoria te verklaren. Misschien moeten we naar de psychoanalyse kijken om haar houding te verklaren.

De basis van de hysterische neurose ligt bij de seksuele begeerte. Als mens is men ontdaan van de gehechtheid aan de moeder, en de begeerte bestaat dan uit de zoektocht naar de vervulling van dat prenatale geborgen gevoel. Er zijn twee structuren die het mogelijk maken te ontsnappen aan de vereenzaming en het allesbeheersende verlangen. Enerzijds kan men toetreden tot de communicatie en de taal met zijn vele betekenissen. Anderzijds is het Oedipuscomplex, het moment waarbij het subject invloed ondergaat van de begeerte tussen het ouderpaar, van groot belang. De hysterie ontstaat als gevolg van de stagnatie van een van beide punten.

Het leidmotief in de hysterische neurose is de opvulling van het verlangen. De hysterica wil geen herkenning van het verlangen, maar een absolute opvulling ervan. Dit kan men omschrijven als de onverdraaglijke onvoldaanheid, aangezien de totale opvulling van het gemis niet te vinden is. In het geval van Gregoria manifesteert de onvoldaanheid zich in de seksuele relatie. De nadruk ligt dan namelijk op een ideaal– of droombeeld in de vorm van een man, die niet kan teleurstellen omdat hij zonder gebrek is. Het is dit ideaalbeeld dat voor problemen zorgt, aangezien de mannen uit de omgeving van de hysterica er niet aan kunnen voldoen. Waarschijnlijk zal het object van haar begeerte een onbereikbare man zijn; de hysterica zal alles in het werk stellen om hem te verleiden. Ze zal echter nooit een relatie hebben met deze man. Een grote afstand tussen de hysterica en het begeerde object zorgt ervoor dat de idealisering zonder problemen kan gebeuren. In dat geval zal ze nooit in de buurt van de geïdealiseerde man komen. Als het geïdealiseerde object echter begeerte toont, is hij geen waardig object meer; het tonen van begeerte is immers een gebrek voor de hysterica. Enerzijds wil ze dus het verlangen van de man opwekken, maar als hij anderzijds begeerte toont, is dit een argument om hem niet langer als een object van begeerte te beschouwen. De hysterica blijft bijgevolg heel haar leven zoeken naar de perfecte man. Deze houding staat bekend als de eeuwige zoektocht. De hysterica kan tevens alle mogelijke partners afwijzen omdat ze niet voldoen aan het ideaalbeeld. Voor deze afwijzing zal ze vaak morele en religieuze argumenten gebruiken, en ze kan ook aanvoeren dat ze nog niet klaar is voor een relatie of een huwelijk. Deze houding staat bekend als de gereserveerde weigerachtigheid.

Welk nut hebben deze psychoanalytische beschouwingen bij het interpreteren van de seksuele problemen van Gregoria? Als we aannemen dat Gregoria hysterisch is, hebben we om te beginnen een kader gecreëerd waarbinnen de seksuele problemen meer betekenis krijgen. Zo kan Gregoria’s weigering om geslachtsgemeenschap te hebben, gezien worden als een weigering tegenover Elias. Dit kan veroorzaakt zijn door het feit dat hij niet het begeerde of geïdealiseerde object is. In dat geval is het voor Gregoria ook niet aanvaardbaar om met hem geslachtsgemeenschap te hebben, want voor haar is hij niet de perfecte man. Deze hypothese wordt nog versterkt door het feit dat Elias begeerte toont, wat volgens Corveleyn voor de hysterica een gebrek is. Gregoria’s afwijzing van haar verloofde kan dus veroorzaakt zijn door zijn duidelijke wens om haar aan te raken, haar naakt te zien, en met haar naar bed te gaan. Als Elias zich opdringt, en als hij Gregoria tegen haar zin omhelst, is dat voor haar wellicht een brutale confrontatie met een persoon die niet aan haar dromen beantwoordt; mogelijk reageert ze om die reden zo heftig. Het spuwen en bijten kan dus ook in de context van de hysterische neurose geplaatst worden, net als de weigering om zich letterlijk bloot te geven. Elias is niet ideaal en oneindig, maar particulier en eindig. Seks met Elias is bijgevolg bevuilend voor Gregoria; dit hangt mogelijk samen met het ongevulde inktstel. Misschien wil Gregoria zuiver blijven, en is het inktstel inderdaad een metafoor voor deze houding. De tegenstelling tussen Elias en het gedroomde object is wellicht ook de reden waarom Gregoria liever niet met hem getrouwd was. Al de seksuele problemen zouden dus teruggevoerd kunnen worden op de hysterische neurose.

We hebben de afwijzing van de seksualiteit geplaatst in de context van de hysterie. Er zijn echter nog andere motieven die op hysterie wijzen. Na het vorige fragment praat Elias in op Gregoria, met als doel haar te overtuigen om toch geslachtsgemeenschap te hebben. Hij verwijst daarbij naar de godsdienstige opvoeding, die een afkeer van de seksualiteit veroorzaakt zou hebben. Na zijn betoog merkt Elias echter dat Gregoria zich aan het bevredigen is:

“Ritmisch, op en neer bij de nadering van het orgasme, is haar lichaampje heftig aan het bewegen, is haar mond aan het hijgen en kreunen, maar niet lang. Daarna, in een diep geloosde zucht, komt ze tot bedaren.” (p. 221/p. 357–358).

Dit motief van de masturbatie keert nog enkele keren terug (p. 264, 269, 341, 353/p. 399, 404, 474, 486). We kunnen ons daarom afvragen of we Gregoria’s onanie kunnen plaatsen in de context van de hysterische neurose. Dit blijkt inderdaad mogelijk te zijn, als we teruggrijpen naar Corveleyn. Volgens hem is het voor de hysterica namelijk onmogelijk om het seksuele begeren te situeren in het eigen lichaam als toegang tot de ander. Gregoria zou dus kunnen masturberen, omdat ze niet beseft dat ze ook bevrediging kan vinden door met Elias geslachtsgemeenschap te hebben. Enerzijds hangt de masturbatie samen met het bevuilen van de begeerte door de omgang met een eindig en concreet object. Anderzijds moet men ook naar de Oedipale problematiek verwijzen om de masturbatie te begrijpen. Deze fase is immers belangrijk om van de fallisch–narcistische fase over te gaan naar een begeerte die op een andere persoon gericht is. In de fallisch–narcistische fase is het subject vooral op zichzelf gericht; het heeft de eigen erogene zones ontdekt als een manier om te voldoen aan de driften. In de Oedipale fase zal het subject ontdekken dat de begeerte ook in een andere persoon geplaatst kan worden. Als dit niet gebeurt, zoals bij Gregoria mogelijk het geval is, blijft het subject vastzitten in de auto–erotische gedachtenpatronen, waarin masturbatie de enige manier is om de driften te voldoen. Het is echter ook mogelijk dat de hysterica de Oedipale fase wel doorgemaakt heeft, maar naar de fallisch–narcistische fase terugkeert. Het zou dus kunnen dat Gregoria, door haar geïdealiseerde voorstelling van de man, geen driftvoldoening vindt. Misschien keert ze daarom terug naar vroegere driftpatronen (masturbatie) en de fantasie om haar drift te kunnen voldoen. Haar ideaal object is immers niet in de realiteit te vinden.

We kunnen misschien nog verwijzen naar een laatste motief dat de hysterische neurose van Gregoria lijkt te bevestigen. Gregoria blijkt namelijk tweemaal een epileptische aanval te hebben. De eerste aanval vindt plaats op de huwelijksdag:

“Veel te gehaast, haar voeten verward in de sleep van het nog nauwelijks ingeleefd bruidstoilet, wil Gregoria naar me toe komen gesneld, struikelt, wankelt en kantelt zij omver gelijk een zuil van steen geworden materie. Wát, zo schielijk, gebeurt er met haar? […] Als in de ban van een magnetiseur bezit haar lichaam geen lenigheid meer, knikken haar knieën niet, is ze toch ook niet in bezwijming gevallen. […]
Ik zie en ik blijf ze zien: de gapendopen mond, zonder oogappel, het glazig ogenwit van Gregoria, haar krampachtig klauwende vingers, haar tulen sluier in de regen nat en flodderig aan het worden.” (p. 154/p. 292).

We hebben blijkbaar te maken met een epileptische aanval, waarvan de oorzaak niet meteen duidelijk is. Vóór dit fragment is immers geen sprake van Gregoria’s aanvallen. De beschrijving door Elias is erg interessant. Hij beschrijft de toestand van Gregoria namelijk door middel van een vergelijking met het magnetisme, waar men bij een persoon, door dierlijk of levensmagnetisme, een toestand veroorzaakt van slaapwandelen en helderziendheid. We bevinden ons hier dus in de sfeer van het paranormale. Men moet wel opmerken dat de toestand van Gregoria niet per se zo is, maar dat hij zo door Elias gezien wordt; hij brengt het verband aan. Het lichaam van Gregoria wordt in elk geval helemaal stijf, zonder dat ze het bewustzijn lijkt te verliezen; haar ogen zijn volledig weggedraaid, haar mond staat wijd open, en haar vingers klauwen krampachtig. Ook in het tweede fragment waarin we de aanval vinden, zien we dezelfde symptomen. Het fragment moet gesitueerd worden tijdens de huwelijksreis in de Ardennen, als mevrouw Balthazar en Gregoria reeds aangekomen zijn in het pension:

“IN HET PENSION, in de corridor heeft Vincentia naar haar mama geroepen. Verrassend kwiek voor haar massieve statuur is mama Balthazar aanstonds van haar stoel opgesprongen, de veranda uitgesneld. Ik volg haar op de voet, door de noodkreet van Vincentia gealarmeerd. Bij de kapstok, haar beige manteltje nog aan, vinden we Gregoria met verstijfde ledematen languit op de grond liggen. Vincentia is met veel moeite nog met haar zuster naar binnen gesukkeld. De oogleden van Gregoria staan opengesperd. Ze schijnt evenwel te weten wat er met haar gebeurt. Haar lange, dunne vingers zo gezien zijn in een kramp als voor een klauwende greep gekromd. Haar vertrokken mond is een gapend gat in haar bleek gezicht, alsof ze wil roepen, doch enig geluid kan ze niet uitbrengen. Ik wil haar van de grond optillen. Ik weet beters niet wat te doen. De hôtelière komt met een gedienstige toegeschoten. Mama zegt Gregoria niet aan te raken; een weinigje geduld, dan zal de flauwte zijn overgegaan. Is het gewoon maar een flauwte? Op de tong van Gregoria laat mama een blauwig comprimé vallen. We kunnen de comprimé buitengewoon snel zien smelten. Heel gauw is de poederachtige hoedanigheid van de comprimé vochtig, doorweekt geworden, verliest hij zijn ronde vorm, begint er een papachtig medicament zich over de tong van Gregoria uit te spreiden. Gregoria moet proberen haar mond te sluiten, fluistert mama; ze moet trachten het medicament doorgeslikt te krijgen. Aan haar gebombeerd voorhoofd, aan haar stokkerige polsen komt overvloedig veel eau de cologne te pas. Haar mond, haar gespalkte oogleden gaan eindelijk dicht. De stijfte begint uit haar ledematen te verdwijnen. Over haar toestand beginnen we gerust te worden.” (p. 312–313/p. 446–447).

We zien hier dezelfde symptomen als in het vorige fragment. Gregoria heeft blijkbaar opnieuw een epileptische aanval, met stijve ledematen, open oogleden, klauwende vingers, een gapende mond en afonie. We hebben wellicht te maken met dezelfde situatie, maar er is toch een groot verschil. Mevrouw Balthazar reageert namelijk onmiddellijk op het geroep van Vincentia, en ze lijkt ook reeds ervaring te hebben met de aanvallen van Gregoria; ze geeft immers aanwijzingen, en ze heeft ook een middel bij zich dat de aanval lijkt te stoppen. Gregoria zelf heeft volgens Elias ook ervaring met de toevallen. Het is echter heel vreemd dat Elias zelf niets lijkt te weten van de epileptische aanvallen van Gregoria. Als verloofde en echtgenoot zou hij toch ervan op de hoogte moeten zijn, om onmiddellijk te kunnen reageren. Nergens in de roman geeft hij er echter blijk van dat hij kennis heeft van de ziekte van Gregoria, integendeel zelfs: “Verder, tevergeefs, probeer ik me af te vragen: kan het enerverend toeval, op onze huwelijksmorgen, in de salon te Silversande, aan een pathologisch verschijnsel worden toegeschreven, (zoals ze misschien buiten mijn weet meerdere keren, vroeger, een toeval kreeg)?” (p. 224/p. 360). Elias zegt hier dus opnieuw dat hij niets weet van de ziekte van Gregoria. Even verder zegt hij: “Aangaande de corporele, vrouwelijke aandoeningen, mysterieus voor mij, was ik niet ingewijd.” (p. 224/p. 361). Dit is een vreemde uitspraak, zeker als we denken aan de ‘vrouwelijke aandoening’ waaraan tante Henriette lijkt te lijden. Elias moet dus wel degelijk enige ervaring hebben met psychische aandoeningen. We kunnen wat dieper ingaan op een aspect van het eerste citaat, met name de mogelijk pathologische aard van de aanvallen.

Bij de interpretatie van Gregoria’s aanvallen moeten we erg voorzichtig zijn. Alles wordt immers gezien door de ogen van Elias; als hij zich afvraagt of de toevallen van Gregoria een pathologische aard hebben, wil dat niet zeggen dat wij dat moeten aannemen. We kunnen in elk geval twee mogelijkheden veronderstellen. Enerzijds zou het kunnen dat Gregoria inderdaad gewoon epileptisch is, en moet men niets zoeken achter de aanvallen. Anderzijds is het ook mogelijk dat de toevallen samenhangen met de hysterische neurose, en moeten we van conversie spreken. De emoties die een hysterica niet tot uiting kan brengen, kunnen soms omgezet worden naar het lichaam (conversie). We kunnen hier verwijzen naar Gregoria’s masturbatie, maar ook naar de aanvallen, als een omzetting van de onbevredigde driften in lichamelijke manifestaties. Bij de eerste aanval kunnen we voorts nog de confrontatie met een voor Gregoria ongewenste situatie zien. Het is immers haar huwelijksdag, en ze zal moeten trouwen met Elias, een concrete man. Misschien heeft deze confrontatie met de harde realiteit een aanval veroorzaakt. In het tweede fragment is eveneens sprake van een confrontatie, al is die daar minder direct. Gregoria heeft namelijk een huwelijksreis achter de rug waarin haar echtgenoot blijft aandringen op geslachtsgemeenschap. Dit strookt wellicht niet met haar overtuigingen en dromen; misschien is dat eveneens een aanleiding voor de aanval.

We vinden echter een soortgelijke aanval tijdens de eerste huwelijksnacht, als Elias toenadering zoekt tot Gregoria. Ze wijst hem opnieuw af: “met schuim op haar lippen, hysterisch, naar adem snakkend komt haar verwijt me tegengekrijst, namelijk dat ik haar poog te verleiden om onkuise flauwiteiten te verrichten. […] Met opengesperde neusgaten, de oogleden wijd opengetrokken, met glazige ogen (zoals ze vanmorgen een toeval kreeg) staart ze naar het plafond, vreemd, alsof zij er schrikbeelden ziet bewegen.” (p. 170–171/p. 308). Men vindt hier ongeveer dezelfde symptomen als bij de aanvallen, en er is opnieuw sprake van een confrontatie met seksualiteit of ongewenste situaties. We mogen echter niet te ver gaan in de psychoanalytische lezing van de toevallen. Het is mogelijk dat ze samenhangen met de hysterische neurose, maar ze kunnen evenzeer gewoon epileptisch van aard zijn.

We weten nu dat Gregoria mogelijk aan hysterische neurose lijdt. Het is misschien nuttig om dieper in te gaan op de oorzaken van deze ziekte. De basis voor de problemen van de hysterica ligt in het Oedipuscomplex.

Het Oedipuscomplex is voor het subject belangrijk om van de fallisch–narcistische fase (masturbatie) over te gaan naar driftvoldoening die te vinden is in een andere persoon. In de fallische fase leeft het subject nog steeds in de overtuiging dat het onverdraaglijke gemis opgevuld kan worden. Deze illusie zal echter verlaten worden door een confrontatie met de realiteit, of, met andere woorden, door de confrontatie met de anatomische verschillen tussen de geslachten. Het meisje zal bij die confrontatie een gemis ervaren; ze zal door het gemis uit de auto–erotische illusie moeten stappen, en haar in de context van menselijke relaties moeten plaatsen. Deze menselijke relaties worden gerepresenteerd door het ouderpaar.

De fallus, die op een symbolisch niveau ontbreekt bij het meisje, is voor haar het imaginaire eindpunt van de begeerte; ze gaat op een symbolisch niveau op zoek naar de fallus, die het gemis zal opvullen. Het gemis zorgt ervoor dat de verhouding met de moeder vertroebeld raakt, want in het onbewuste van het meisje heeft de moeder niet genoeg gegeven en niet genoeg voor haar gedaan; dat is voor haar de oorzaak van het gemis. De band met de vader wordt op hetzelfde moment aangehaald, want ze gaat bij hem op zoek naar erkenning van haar waardigheid als persoon, waardoor ze van haar minderwaardigheidscomplex afraakt. Deze onbewuste overwinning op de minderwaardigheid zorgt er uiteindelijk voor dat ze de seksuele rol als vrouw kan opnemen. De zoektocht bij de vader bevat zeker erotische gevoelens, maar ze worden in de kiem gesmoord door zijn incestverbod, dat ervoor zorgt dat het meisje zich kan losmaken van de ouders. Men mag de vertroebeling van de relatie met de moeder ook niet te radicaal opvatten; om een verlangen naar de vader te kunnen hebben, moet er nog steeds een identificatie met de moeder aanwezig zijn.

In de hysterische neurose kan het fout gaan op twee gebieden. De hysterica kan enerzijds het anatomische verschil niet aanvaarden, en haar heil blijven zoeken in de auto–erotische driftvoldoening. Ze kan anderzijds de vader overdreven idealiseren. In het laatste geval kan ze wel een relatie aangaan, maar seksualiteit zal onmogelijk zijn door het onbewust incestueuze karakter ervan.

Als we dit toepassen op het gedrag van Gregoria, lijkt ze inderdaad nog steeds vast te zitten in de auto–erotische driftvoldoening. Ze masturbeert als ze naast Elias ligt, en ze kent blijkbaar geen manier om voldoening te vinden door geslachtsgemeenschap met hem. De oorzaak zou dan te zoeken zijn bij haar ontkenning van het anatomische verschil tussen jongens en meisjes. Vreemd genoeg vinden we dit misschien ook in Gregoria terug. We hebben in deze paragraaf een fragment behandeld waarin Gregoria aan Elias vraagt om zich om te keren terwijl ze haar nachtgoed aantrekt (p. 218/p. 355). Deze weigering om zich bloot te laten zien keert nog enkele keren terug. Tijdens de eerste huwelijksnacht laat ze niet toe dat Elias haar bloesje losmaakt (p. 170/p. 308). Tijdens de tweede huwelijksnacht zegt ze zelfs dat Elias, die naakt is, zich belachelijk maakt (p. 213/p. 350). Even ervoor heeft ze hem opnieuw gevraagd om zich om te keren terwijl zij zich omkleedt (p. 212/p. 348). Het lijkt er dus op dat Gregoria een confrontatie met Elias’ naaktheid uit de weg wil gaan; zo belanden we al snel bij de ontkenning van het gemis of het anatomische verschil, dat volgens de psychoanalisten een van de oorzaken is van de hysterie.

Als we aannemen dat Gregoria niet uit de auto–erotische illusie gestapt is, en dat ze het anatomische verschil ontwijkt, kunnen we misschien een sterke moederbinding veronderstellen. Gregoria ontkent wellicht het gemis; als ze dat doet, kan ze er haar moeder niet verantwoordelijk voor houden. Hierdoor is het mogelijk dat de relatie tussen moeder en dochter niet vertroebeld is. De sterke moederbinding zou dus kunnen blijven bestaan door de hysterische neurose. Daarnaast moet er ook nog gewezen worden op de zwakke vader van Gregoria. Als hij beziggehouden wordt door een klant, wacht mevrouw Balthazar niet om te eten; hij mag zijn middageten koud verorberen (p. 305/p. 439). Wat beslissingen betreft, is hij ook niet sterk. Elias acht het zelfs mogelijk dat meneer Balthazar pas kort voor het huwelijk van Gregoria de datum ervan vernomen heeft (p. 334/p. 467). Hij heeft voorts een “inerte houding” (p. 334/p. 467) wat belangrijke beslissingen betreft. De vaderfiguur, waar Gregoria naar zou moeten opkijken, en bij wie ze op zoek zou moeten gaan naar erkenning, blijkt een behoorlijk zwak figuur te zijn. Misschien is dit ook een van de oorzaken van de hysterie van Gregoria.

De seksuele problemen in het huwelijk zouden dus kunnen samenhangen met de mogelijke hysterie van Gregoria. De huwelijksproblemen worden echter ook veroorzaakt door het gedrag van mevrouw Balthazar. Ze lijkt Gregoria te beschermen, en haar stempel te drukken op het huwelijk.