Foto Maurice Gilliams Maurice Gilliams img: © AMVC

1. Gregoria

1.1 Gregoria en de lichamelijkheid

Dit fragment moet gesitueerd worden op de dag voor het huwelijk, als Elias besluit nog een bezoek te brengen aan zijn verloofde. We hebben hier duidelijk te maken met een confrontatie tussen twee verschillende houdingen wat betreft lichamelijkheid:

“Ik snel op Gregoria toe, mijn ontroering niet meer meester. Met mijn ganse lichamelijkheid voelbaar wil ik haar omhelzen, thans zoveel inniger en onbeschroomd dan ik haar tenger figuurtje ooit te beleven, te ervaren heb gekregen. Van de grond til ik haar op. Wát allemaal blijft er nog te doen? Ik weet er geen handelingen, geen woorden voor te vinden. Mijn lippen gaan de harde gespierdheid van haar nekje proeven. Als ik het poetsdoekje aan haar hand wil ontrukken opdat ze haar twee armen rond mijn hals zou slaan: uit haar krampachtig vasthoudende vingers krijg ik het doekje niet los. Snikkend zeg ik haar naam. Maar ze houdt haar gezicht van mij afgewend, in afwachting dat mijn opwinding tot bedaren is gekomen. Strelend langs haar leest laat ik mijn handen zakken. Ik eindig ermee het ‘protocollaire’ inktstel te fixeren, evenzo ernstig als Gregoria blijkbaar bezig is het te doen. Worden we door de lichtstip op het koperen deksel gehypnotiseerd? Onze spieren verstijven. We vallen kunstmatig in slaap, ofschoon we bewust erbij wéten dat we slapen.
Eindelijk, na heel wat complaisant geaarzel slaag ik erin de door Gregoria verlangde verstarring te verbreken. Opnieuw kunnen mijn ledematen in beweging komen. Ergens, in een oud meubel, laat gekraak van uitgedroogd hout zich horen. […] Tussen mijn beide handen gevat, Gregoria’s hoofd pressend vastgehouden, krijg ik haar smalle gezichtje naar mij toegewend. Halsstarrig wringt ze tegen. Als enig mogelijk verweer knijpt Gregoria haar ogen dicht.” (p. 95–96/p. 235–236).

Elias is erg opgewonden; dit blijkt uit het feit dat “zijn ganse lichamelijkheid voelbaar” is, en dat hij Gregoria omhelst en kust. Het is net alsof hij zijn driften even niet meer onder controle heeft. Dit hangt waarschijnlijk samen met de manier waarop hij Gregoria ziet als hij de kamer binnentreedt: “Zij verschijnt aan mij, alsof ik haar voordien nooit zó heb weten te bestaan. […] Alzo verschenen is zij de enige, de absolute Gregoria die ik bovenal tot vrouw verlang.” (p. 95/p. 235). Het is wellicht door de verschijning van Gregoria, die de dromen van Elias lijkt te vervullen, dat hij haar wil aanraken en kussen, “zoveel inniger en onbeschroomd dan ik haar tenger figuurtje ooit te beleven, te ervaren heb gekregen”. Vanuit de visie dat Gregoria dé vrouw is met wie hij wil trouwen, wil Elias haar lichamelijk volledig voelen. We moeten echter wijzen op zijn onbehouwenheid. Hij vraagt zich namelijk af wat er allemaal nog te doen blijft. Enerzijds kunnen we verwijzen naar het nakende huwelijk; Elias vraagt zich af wat er allemaal zal gebeuren. Anderzijds kan zijn vraag ook betrekking hebben op de omhelzing zelf, en weet hij niet echt wat hij verder moet doen. Misschien besluit hij haar dan maar een kus in de nek te geven. Het gebrek aan ervaring zou ook kunnen blijken uit de manier waarop Elias Gregoria omhelst. Ze lijkt het poetsdoekje nog vast te hebben tijdens de omarming, wat impliceert dat haar handen zich nog steeds tussen de twee lichamen bevinden.

Gregoria weigert van haar kant de omhelzing van Elias te beantwoorden, en dus met hem op te gaan in de lichamelijkheid. Ze wil het poetsdoekje niet loslaten, al kan men dit misschien begrijpen. Elias wil het doekje immers “ontrukken”, en dat veronderstelt een zekere gewelddadigheid. Misschien wil Gregoria het doekje niet loslaten als een reactie op het geweld van Elias. De weigering van Gregoria blijkt overigens uit elke vezel van haar lichaam. De spieren van haar nek lijken gespannen te staan, wat zou kunnen wijzen op een gespannen houding van Gregoria zelf. Haar vingers houden het poetsdoekje krampachtig vast; dit is wellicht het gevolg van Elias’ dwingende houding. Er lijkt uiteindelijk weer een verplichtende handeling van Elias te zijn, want hij trekt haar hoofd “pressend” naar zich toe, wat niet echt een toonbeeld van geweldloosheid is. Als laatste verweer sluit Gregoria ten slotte haar ogen.

Deze passage lijkt gewoon een confrontatie tussen twee houdingen te zijn, maar er zit m.i. nog een tweede niveau in het fragment. Wat is immers de betekenis van het inktstel, waar ze allebei bijna door gehypnotiseerd worden? Net voor het fragment beschrijft Elias het als een pronkstuk, en hij ziet het in de context van de religie: “Nu, onder de handen van Gregoria, heeft het de betekenis als van een der liturgische benodigdheden die bij de oefeningen van een eredienst gebruikt worden: luttel zijn het pralerige symbolen waar de mystieke waarheidsliefde mee vervangen wordt. Doch dár begint men later aan te denken, wanneer het kaarslicht op het kerkaltaar is uitgedoofd.” (p. 95/p. 234–235). Dit is een complex citaat; het is niet meteen duidelijk hoe het inktstel geïnterpreteerd moet worden. Het kan iets zeggen over de religie; Elias verwijst dan naar (volgens hem) betekenisloze symbolen in het katholieke geloof. Deze symbolen zijn voor hem minderwaardig, omdat ze de ware geloofsideeën vervangen. Het citaat kan in die context ook iets zeggen over Gregoria, want het is in haar handen dat het inktstel deze betekenis krijgt. Misschien moeten we hier denken aan het geloof van de familie Balthazar, waar symbolen mogelijk een centrale rol spelen (zie Hoofdstuk II). Het blijft echter onduidelijk waarvoor het inktstel precies symbool staat. Er is overigens nog een derde mogelijkheid, waarbij we het inktstel erotisch interpreteren. Elias zegt namelijk: “Steeds na den eten, op het trijpen tafelkleed, wordt het stel als een pronkstuk tentoongesteld. Met inkt is het nooit gevuld geweest.” (p. 95/p. 234). We kunnen dit inktstel misschien zien als een symbool voor de maagdelijkheid; het is immers nooit gevuld geweest met inkt. Als we dit aanvaarden, krijgt het staren van de verloofden een bijkomende betekenis. Dan kijken ze namelijk naar een symbool voor de maagdelijkheid, en dit zouden we dan weer kunnen zien in de context van de ontwijkende reactie van Gregoria. Het inktstel kan ons dus iets meer vertellen over Gregoria, want zij is degene die het inktstel staat op te poetsen met een doekje (p. 95/p. 234). Mogelijk staat het voor haar symbool voor de maagdelijkheid, terwijl het voor Elias een pralerig symbool is, dat niets te maken heeft met de mystieke idee van de kuisheid. Als we de erotische interpretatie aanvaarden, hebben we te maken met een confrontatie rond de maagdelijkheid op de dag voor het huwelijk, en mogelijk zelfs met een voorafschaduwing van Gregoria’s frigiditeit.